HET URANTIA BOEK - Verhandeling 66. De Planetaire Vorst van Urantia

(UF-DUT-001-1997-1)

HET URANTIA BOEK   

DEEL III: DE GESCHIEDENIS VAN URANTIA

Verhandeling 66. De Planetaire Vorst van Urantia



Verhandeling 66. De Planetaire Vorst van Urantia

66:0.1 (741.1) DE aankomst van een Lanonandek-Zoon op een gemiddelde wereld geeft aan dat het wilsvermogen, het vermogen om de weg van de eeuwige overleving te kiezen, zich in het bewustzijn van de primitieve mens heeft ontwikkeld. Maar op Urantia arriveerde de Planetaire Vorst bijna een half miljoen jaar nadat de menselijke wil tevoorschijn was getreden.

66:0.2 (741.2) Ongeveer vijfhonderd duizend jaar geleden, gelijktijdig met het verschijnen van de zes gekleurde of Sangik-rassen, arriveerde Caligastia, de Planetaire Vorst, op Urantia. Ten tijde van de aankomst van de Vorst waren er bijna een half miljard primitieve mensen op aarde, verspreid over heel Europa, Azië en Afrika. Het hoofdkwartier van de Vorst, dat in Mesopotamië werd gevestigd, lag daarmee ongeveer in het centrum van de bewoonde wereld.

1. Vorst Caligastia

66:1.1 (741.3) Caligastia was een Lanonandek-Zoon, nummer 9.344 van de secundaire orde. Hij had ervaring met het bestuur van de zaken van het plaatselijk universum in het algemeen, en in latere tijdperken met het bestuur van het plaatselijke stelsel Satania in het bijzonder.

66:1.2 (741.4) Vóór Lucifers bewind in Satania, was Caligastia verbonden geweest aan de raad van adviserende Levendragers op Jerusem. Lucifer gaf Caligastia een hogere positie bij zijn persoonlijke staf, en hij bekleedde op aanvaardbare wijze vijf successieve eervolle vertrouwensposities.

66:1.3 (741.5) Al heel vroeg streefde Caligastia naar een aanstelling als Planetair Vorst, maar als zijn verzoek ter goedkeuring werd voorgelegd aan de raden van de constellatie, verwierf het steeds niet de instemming van de Constellatie-Vaders. Caligastia leek vooral verlangend om als planetair bestuurder te worden uitgezonden naar een decimale of levensmodificatie-wereld. Zijn petitie was verschillende malen afgewezen, toen hij ten slotte op Urantia werd aangesteld.

66:1.4 (741.6) Toen Caligastia van Jerusem vertrok om zijn verantwoordelijkheid als heerser over deze wereld op zich te nemen, had hij een benijdenswaardige reputatie van trouw en toewijding aan het welzijn van het universum waaruit hij afkomstig was en waar hij verbleef, ondanks een zekere karakteristieke ongedurigheid die gepaard ging met de neiging om het in bepaalde zaken van ondergeschikt belang oneens te zijn met de gevestigde orde.

66:1.5 (741.7) Ik was op Jerusem toen de briljante Caligastia van de hoofdwereld van het stelsel vertrok. Geen enkele vorst der planeten was zijn loopbaan als wereldbestuurder ooit met een rijkere voorbereidende ervaring of met betere vooruitzichten begonnen dan Caligastia op die gedenkwaardige dag, een half miljoen jaar geleden. Eén ding staat vast: toen ik mijn opdracht uitvoerde om het relaas van die gebeurtenis op te nemen in de uitzendingen van het plaatselijk universum, kwam de gedachte geen ogenblik bij mij op dat deze nobele Lanonandek zo spoedig daarna verraad zou kunnen plegen aan zijn heilige opdracht om de planeet te beheren, en dat hij op zo’n afschuwelijke wijze de goede naam van zijn verheven orde van universum-zonen zou kunnen bezoedelen. Ik beschouwde Urantia werkelijk als één van de vijf of zes gelukkigste planeten in heel Satania, in de zin dat daar zulk een ervaren, briljante en creatieve geest aan het roer zou staan om de aangelegenheden van de wereld te besturen. Ik besefte toen nog niet dat Caligastia heimelijk tot zelfingenomenheid verviel: ik begreep de subtiliteiten van eigenwaan toentertijd nog niet geheel.

2. De staf van de Vorst

66:2.1 (742.1) De Planetaire Vorst van Urantia werd niet alléén uitgezonden op zijn missie, maar werd vergezeld door het gebruikelijke korps helpers en bestuurlijke assistenten.

66:2.2 (742.2) Aan het hoofd van deze groep stond Daligastia, de medewerker-assistent van de Planetaire Vorst. Daligastia was eveneens een secundaire Lanonandek-Zoon, nummer 319.407 van die orde. Op het tijdstip dat hij werd aangesteld als ambtgenoot van Caligastia, bezat hij de rang van assistent.

66:2.3 (742.3) De planetaire staf omvatte een groot antal engelen als medewerkers en een schare andere hemelse wezens die waren aangesteld om de belangen en het welzijn van de menselijke rassen te bevorderen. Maar vanuit uw standpunt gezien, werd de interessantste groep van allen gevormd door de lichamelijke leden van de staf van de Vorst – soms wel genoemd de honderd van Caligastia.

66:2.4 (742.4) Deze honderd gerematerialiseerde leden van de staf van de Vorst werden door Caligastia gekozen uit meer dan 785.000 opklimmende burgers van Jerusem, die zich vrijwillig aanmeldden voor de avontuurlijke onderneming op Urantia. Ieder van de uitverkoren honderd was afkomstig van een andere planeet, en geen van hen kwam van Urantia.

66:2.5 (742.5) Deze vrijwilligers uit Jerusem werden door middel van serafijnse transporten rechtstreeks uit de hoofdstad van het stelsel naar Urantia gebracht, en daaraangekomen bleven zij opgenomen in de serafijnen totdat zij konden worden voorzien van persoonlijkheidsgestalten van de tweevoudige natuur van de speciale planetaire dienst, lichamen die concreet bestonden uit vlees en bloed, maar ook waren afgestemd op de levenscircuits van het stelsel.

66:2.6 (742.6) Enige tijd voor de aankomst van deze honderd burgers van Jerusem, hadden de twee toezichthoudende Levendragers die op Urantia verbleven en hun plannen reeds tevoren hadden gemaakt, Jerusem en Edentia om toestemming verzocht om het levensplasma van honderd geselecteerde overlevenden van het geslacht van Andon en Fonta over te planten in de materiële lichamen die ontworpen zouden worden voor de lichamelijke leden van de staf van de Vorst. Dit verzoek werd op Jerusem ingewilligd en op Edentia bekrachtigd.

66:2.7 (742.7) Dienovereenkomstig werden door de Levendragers vijftig mannen en vijftig vrouwen uit het nageslacht van Andon en Fonta geselecteerd, in wie de beste elementen van dat unieke ras bewaard waren gebleven. Op een enkele uitzondering na, waren deze Andonieten die zouden bijdragen tot de vooruitgang van het ras, vreemden voor elkaar. Zij werden vanuit ver van elkaar gelegen oorden bij de ingang van het planetaire hoofdkwartier van de Vorst verzameld, onder de gecoördineerde leiding van de Gedachtenrichters en de serafijnen. Hier werden de honderd menselijke subjecten overgedragen aan de hoogst bekwame vrijwilligerscommissie uit Avalon, onder wier leiding de materiële extractie van een hoeveelheid levensplasma van deze afstammelingen van Andon plaatsvond. Dit levende materiaal werd vervolgens overgebracht in de materiële lichamen die waren geconstrueerd ten behoeve van de honderd Jerusemitische leden van de staf van de Vorst. Ondertussen werden deze pas aangekomen burgers van de hoofdwereld van het stelsel in de slapende toestand gehouden waarin zij door de serafijnen waren getransporteerd.

66:2.8 (742.8) Deze verrichtingen, alsmede de concrete schepping van speciale lichamen voor de honderd van Caligastia, deden talrijke legenden onstaan, waarvan vele vervolgens werden verward met de latere overleveringen over de installatie van Adam en Eva op de planeet.

66:2.9 (743.1) De gehele verrichting van de repersonalisatie, van het moment van de aankomst van de serafijnse transporten met de honderd vrijwilligers uit Jerusem, tot het ogenblik dat zij bewuste, drievoudige wezens van dit gebied werden, nam precies tien dagen in beslag.

3. Dalamatia — de stad van de Vorst

66:3.1 (743.2) Het hoofdkwartier van de Planetaire Vorst lag in de landstreek van de toenmalige Perzische Golf, in het district dat correspondeert met het latere Mesopotamië.

66:3.2 (743.3) Het klimaat en landschap van het Mesopotamië van die dagen waren in ieder opzicht gunstig voor de ondernemingen van de staf van de Vorst en hun assistenten, en verschilden sterk van de omstandigheden welke er soms later hebben geheerst. Zo’n gunstig klimaat was noodzakelijk als onderdeel van de natuurlijke omgeving die was bedoeld om de primitieve Urantianen be- paalde eerste vorderingen te doen maken in cultuur en civilisatie. De allerbelangrijkste opgave van die tijd was de mens om te vormen van een jager tot een herder, in de verwachting dat hij zich later zou ontwikkelen tot een vreedzame landbouwer die zich zou hechten aan zijn huis.

66:3.3 (743.4) Het hoofdkwartier van de Planetaire Vorst op Urantia was typerend voor zulke standplaatsen op een jonge wereld in ontwikkeling. De kern van de nederzetting van de Vorst was een zeer eenvoudige, doch mooie stad, omheind door een twaalf meter hoge muur. Dit centrum van de cultuur op uw wereld werd Dalamatia genoemd, ter ere van Daligastia.

66:3.4 (743.5) De stad was ingedeeld in tien onderafdelingen, en in het centrum van elk van deze stond een gebouw dat als hoofdkwartier diende voor één der tien raden van de lichamelijke staf. Precies in het midden van de stad stond de tempel van de onzienlijke Vader. Het bestuurlijke hoofdkwartier van de Vorst en zijn medewerkers was gehuisvest in twaalf ambtsvertrekken, direct rond de tempel zelf.

66:3.5 (743.6) De gebouwen in Dalamatia waren alle gelijkvloers, behalve de hoofdkwartieren van de raad, die twee verdiepingen hoog waren, en de centrale tempel van de Vader van allen, welke klein, maar drie verdiepingen hoog was.

66:3.6 (743.7) De stad was gebouwd uit het beste materiaal dat in die tijd in gebruik was – baksteen. Er werd zeer weinig natuursteen of hout gebruikt. De huizenbouw en de aanleg van dorpen onder de omringende volken gingen dankzij het voorbeeld van Dalamatia sterk vooruit.

66:3.7 (743.8) Dichtbij het hoofdkwartier van de Vorst woonden mensen van allerlei kleur en sociale schakering. En juist uit deze nabij wonende stammen werden de eerste leerlingen aangetrokken voor de scholen van de Vorst. Ofschoon deze eerste scholen van Dalamatia zeer elementair waren, voorzagen ze in alles wat voor de mannen en vrouwen in die primitieve tijd gedaan kon worden.

66:3.8 (743.9) De lichamelijke staf van de Vorst verzamelde voortdurend de superieure leden van de omringende stammen om zich heen, en zond deze studenten, na hen te hebben opgeleid en geïnspireerd, weer terug als leraren en leiders van hun respectieve volkeren.

4. De begintijd van de honderd

66:4.1 (743.10) De aankomst van de staf van de Vorst maakte diepe indruk. Hoewel er bijna duizend jaar voorbijging voordat het nieuws alom was verspreid, werden de stammen dichtbij het hoofdkwartier in Mesopotamië enorm beïnvloed door het onderricht en het gedrag van de honderd nieuwe bewoners van Urantia. En veel van uw latere mythologie is ontstaan uit de verminkte legenden over deze vroege tijden, toen deze leden van de staf van de Vorst op Urantia werden gerepersonaliseerd als supermensen.

66:4.2 (744.1) Het ernstige obstakel voor de goede invloed van dergelijke buitenplanetaire leraren is de neiging van stervelingen om hen als goden te beschouwen, maar afgezien van de techniek waardoor zij op aarde waren verschenen, namen de honderd van Caligastia – vijftig mannen en vijftig vrouwen – niet hun toevlucht tot bovennatuurlijke methoden of bovenmenselijke manipulaties.

66:4.3 (744.2) De lichamelijke staf was echter niettemin bovenmenselijk. Hun missie op Urantia vingen zij aan als buitengewone drievoudige wezens:

66:4.4 (744.3) 1. Zij waren lichamelijk en betrekkelijk menselijk, want zij droegen het echte levensplasma van één der menselijke rassen in zich, het Andonische levensplasma van Urantia.

66:4.5 (744.4) Deze honderd leden van de staf van de Vorst waren gelijkelijk verdeeld naar geslacht en naar hun eerdere status als sterveling. Iedere persoon in deze groep was in staat mede-ouder te worden van een nieuw soort lichamelijk wezen, maar zij waren zorgvuldig geïnstrueerd om slechts onder bepaalde voorwaarden tot ouderschap over te gaan. Het is gebruikelijk dat de lichamelijke staf van een Planetaire Vorst haar eigen opvolgers voortbrengt, te eniger tijd voordat zij zich terugtrekt uit het speciale dienst op de planeet. Gewoonlijk gebeurt dit ten tijde van, of kort na, de aankomst van de Planetaire Adam en Eva.

66:4.6 (744.5) Deze speciale wezens hadden daarom weinig of geen voorstelling van het soort materiële schepselen dat door hun geslachtelijke verbintenis zou worden voortgebracht. En zij zijn dit ook nooit te weten gekomen, want vóór het tijdstip waarop deze stap in de uitvoering van hun werk voor de wereld gedaan kon worden, raakte het gehele regime ontredderd door de opstand, en zij die later toch in de rol van ouders functioneerden, waren afgesneden van de levencircuits van het stelsel.

66:4.7 (744.6) Naar huidskleur en taal sloten deze gematerialiseerde leden van de staf van Caligastia aan bij het Andonische ras. Evenals de stervelingen van dit gebied gebruikten zij voedsel, met dit verschil, dat de herschapen lichamen van deze groep geheel genoeg hadden aan een vleesloos dieet. Dit was één van de overwegingen om hen in een warme landstreek te laten wonen, waar een overvloed aan vuchten en noten voorhanden was. De gewoonte om op een vleesloos dieet te leven, dateert uit de tijd van de honderd van Caligastia, want dit gebruik verbreidde zich heinde ver en heeft de eetgewoonten van vele der omringende stammen beïnvloed, groepen die oorspronkelijk behoorden tot de evolutionaire rassen die uitsluitend vlees aten.

66:4.8 (744.7) 2. De honderd waren materiële maar bovenmenselijke wezens, die op Urantia opnieuw waren gevormd als uitzonderlijke mannen en vrouwen van een hoge, speciale orde.

66:4.9 (744.8) Ofschoon de wezens van deze groep op Jerusem voorlopig burgerschap hadden gekregen, waren zij nog niet gefuseerd met hun Gedachtenrichters; en toen zij zich voor dienst op deze planeet hadden aangemeld en waren aangenomen in een samenwerkingsverband met de afdalende orden van zonen, werden hun Gedachtenrichters van hen gescheiden. Deze Jerusemieten waren echter bovenmenselijke wezens – zij bezaten zielen die in de opklimming waren gegroeid. Tijdens het sterfelijke leven in het vlees verkeert de ziel in een embryonale staat: zij wordt geboren (opgewekt) in het morontia-leven en maakt groei door via de successieve morontia-werelden. En de zielen van de honderd van Caligastia hadden zich via de progresieve ervaringen op de zeven woningwerelden aldus ontwikkeld, totdat zij de status van burgerschap op Jerusem hadden bereikt.

66:4.10 (744.9) Conform hun instructies ging de staf niet over tot geslachtelijke voorplanting, maar de leden bestudeerden hun persoonlijke constitutie nauwgezet en onderzochten zorgvuldig ieder voorstelbaar aspect van een verbintenis tussen het intellect (bewustzijn) en morontia (de ziel). En gedurende het drieëndertigste jaar van hun verblijf in Dalamatia, lang voordat de muur voltooid was, ontdekten nummer twee en nummer zeven van de Danitische groep toevallig een verschijnsel dat de verbintenis van hun morontia-zelf (een verbintenis die naar zij dachten niet-geslachtelijk en niet-materieel was) vergezelde: het gevolg van dit avontuur bleek het eerste der primaire middenwezens te zijn. Dit nieuwe wezen was volledig zichtbaar voor de planetaire staf en haar hemelse medewerkers, maar onzichtbaar voor de mannen en vrouwen van de verschillende stammen der mensen. Op gezag van de Planetaire Vorst begon de gehele lichamelijke staf soortgelijke wezens voort te brengen, en allen slaagden daarin door de instructies van het baanbrekende Danitische paar op te volgen. Op deze wijze bracht de staf van de Vorst uiteindelijk het oorspronkelijke korps van 50.000 middenwezens voort.

66:4.11 (745.1) Deze middensoort-schepselen bewezen belangrijke diensten bij het gaande houden van de zaken van het hoofdkwartier van de wereld. Zij waren voor mensen onzichtbaar, maar de primitieve mensen die in Dalamatia verbleven, werden wel onderricht inzake deze onzichtbare, halfgeestelijke wezens, en eeuwenlang vormden zij de gehele geest-wereld voor deze evoluerende stervelingen.

66:4.12 (745.2) 3. De honderd van Caligastia waren persoonlijk onsterfelijk, in andere woorden, zij stierven niet. Door hun materiële lichamen circuleerden de als tegengif dienenden complementen van de levenstromen van het stelsel; indien zij door de opstand het contact met de levenscircuits niet hadden verloren, dan zouden zij voor onbepaalde tijd hebben verder geleefd, tot er een volgende Zoon van God zou zijn gearriveerd, of tot zij op enig later moment de vrijheid hebben zouden gekregen om hun onderbroken reis naar Havona en het Paradijs voort te zetten.

66:4.13 (745.3) Deze als tegengif dienende complementen van de levensstromen van Satania werden verkregen uit de vruchten van de boom des levens, een struik uit Edentia welke ten tijde van de aankomst van Caligastia door de Meest Verhevenen van Norlatiadek naar Urantia was gezonden. In de dagen van Dalamatia groeide deze boom in de binnenhof in het midden van de tempel van de onzienlijke Vader, en de vruchten van deze boom des levens stelden de materiële en voor het overige sterfelijke wezens die tot de staf van de Vorst behoorden, in staat onbepaalde tijd voort te leven, zolang zij er toegang toe hadden.

66:4.14 (745.4) Hoewel nutteloos voor de evolutionaire rassen, was dit bovennatuurlijke voedsel volkomen toereikend om de honderd van Caligastia en de honderd gemodificeerde Andonieten die met hen verbonden waren, een continu leven te schenken.

66:4.15 (745.5) In verband hiermede moeten wij ook verklaren dat op het moment dat de honderd Andonieten de bijdrage van hun menselijke kiemplasma aan de leden van de staf van de Vorst leverden, de Levendragers in hun sterfelijke lichaam het complement van de levenscircuits van het stelsel inbrachten; op deze wijze werden zij in staat gesteld om gelijktijdig met de staf eeuw na eeuw verder te leven en de lichamelijke dood te trotseren.

66:4.16 (745.6) Uiteindelijk werden de honderd Andonieten ingelicht omtrent hun bijdrage aan de nieuwe lichamen van hun superieuren, en deze zelfde honderd kinderen uit de Andon-stammen werden verder op hoofdkwartier gehouden als de persoonlijke bedienden van de lichamelijke staf van de Vorst.

5. De organisatie van de honderd

66:5.1 (745.7) De honderd waren ten behoeve van hun diensten ingedeeld in tien autonome raden, ieder bestaande uit tien leden. Wanneer twee of meer van deze raden in een gezamenlijke zitting bijeenkwamen, werd deze vergadering voorgezeten door Daligastia. Deze tien groepen waren als volgt samengesteld:

66:5.2 (745.8) 1. De raad voor voedsel en materieel welzijn. Deze groep werd geleid door Ang. Voedsel, water, kleding, en de materiële vooruitgang van de menselijke soort werden door dit bekwame korps verzorgd. Zij onderrichtten het graven van putten, het beheersen van bronnen en het aanleggen van irrigatiewerken. Zij leerden de mensen die op grotere hoogten en in het noorden leefden, betere methoden om huiden te bewerken, zodat deze als kleding konden worden gebruikt, en later werd door de leraren van kunst en wetenschap het weven geïntroduceerd.

66:5.3 (746.1) Grote vooruitgang werd gemaakt in de methoden om voedsel op te slaan. Voedsel werd geconserveerd door het te koken, te drogen en te roken: zo werd het de eerste vorm van bezit. De mens werd geleerd voorzieningen te treffen tegen het gevaar van hongersnood, die periodiek de volken op deze wereld decimeerde.

66:5.4 (746.2) 2. De raad voor de domesticatie en het gebruik van dieren. Deze raad had als opdracht het selecteren en fokken van dieren die het meest geschikt waren om de mens te helpen bij het dragen van lasten, bij het zich verplaatsen, om als voedsel te dienen, en later ook om dienstig te zijn bij het bewerken van de aarde. Dit bekwame korps werd geleid door Bon.

66:5.5 (746.3) Verscheidene typen bruikbare dieren die nu zijn uitgestorven, werden getemd, samen met sommige die tot in de huidige tijd als huisdieren voortbestaan. De mens had al lang met de hond geleefd, en de blauwe mens had reeds met goed gevolg de olifant getemd. De koe werd door zorgvuldig fokken dermate verbeterd, dat zij een waardevolle bron van voedsel werd: boter en kaas werden gewone bestanddelen van het menselijke dieet. De mensen werd geleerd ossen te bruiken als lastdieren, maar het paard werd pas veel later gedomesticeerd. De leden van dit korps leerden de mensen voor het eerst hoe ze door gebruikmaking van het wiel het trekken konden vergemakkelijken.

66:5.6 (746.4) In deze tijd werden er voor het eerst postduiven gebruikt die op lange reizen werden meegenomen, teneinde boodschappen te kunnen sturen of hulp te kunnen inroepen. De groep van Bon had veel succes in het africhten van de grote fandors als passagiersvogels, maar meer dan dertigduizend jaar geleden stierven de fandors uit.

66:5.7 (746.5) 3. De adviseurs voor het bedwingen van roofdieren. Het was niet voldoende dat de vroege mens trachtte bepaalde dieren te temmen, hij moest ook leren hoe hij zichzelf kon beschermen tegen vernietiging door de rest van de vijandige dieren. Aan het hoofd van deze groep stond Dan.

66:5.8 (746.6) Het doel van een stadsmuur in de oudheid was om bescherming te bieden tegen wilde dieren en verrassingsaanvallen van vijandig gezinde mensen te voorkomen. Degenen die buiten de muren en in de wouden leefden, waren afhankelijk van boomwoningen, stenen hutten en het branden van vuren des nachts. Het lag daarom voor de hand dat deze leraren veel tijd besteedden om hun leerlingen bij te brengen hoe de onderkomens van de mensen konden worden verbeterd. Door het aanwenden van betere technieken en het gebruik van vallen, werd grote vooruitgang geboekt in het bedwingen van de dieren.

66:5.9 (746.7) 4. De school voor de verbreiding en het bewaren van kennis. Deze groep organiseerde en leidde de zuiver educatieve inspanningen in die vroege tijden. Zij stond onder leiding van Fad. De onderwijsmethoden van Fad bestonden in het toezicht op werkzaamheden, gepaard aan onderricht in betere werkmethoden. Fad stelde het eerste alfabet op, en voerde een schrijfsysteem in. Dit alfabet bevatte vijfentwintig letters. Als schrijfmateriaal gebruikten deze vroege mensen boombast, kleitabletten, platte stenen, een soort perkament gemaakt van geklopte huiden, en een grove vorm van op papier gelijkend materiaal dat uit wespennesten werd gemaakt. De bibliotheek van Dalamatia, die spoedig na de ontrouw van Caligastia werd verwoest, omvatte meer dan twee miljoen afzonderlijke documenten, en stond bekend als het ‘huis van Fad.’

66:5.10 (746.8) De blauwe mens had een voorliefde voor het alfabetische schrift en maakte hierin de grootste vorderingen. De rode mens gaf de voorkeur aan het beeldschrift, terwijl de gele rassen voor woorden en ideeën geleidelijk symbolen gingen gebruiken die veel lijken op degene die zij nu nog gebruiken. Maar het alfabet en nog veel meer ging later voor de wereld verloren tijdens de verwarring waarmee de rebellie gepaard ging. Het overlopen van Caligastia vernietigde de hoop van de wereld op een universele taal, althans voor talloze eeuwen.

66:5.11 (747.1) 5. De commissie voor nijverheid en handel. Deze raad hield zich bezig met het bevorderen van de nijverheid binnen de stammen en het stimuleren van handel tussen de verschillende groepen die vreedzaam naast elkaar leefden. Nod was de leider van deze groep. Iedere vorm van primitieve handenarbeid werd door dit korps aangemoedigd. Zij droegen rechtstreeks bij tot de verhoging van het levenspeil door te voorzien in vele nieuwe, nuttige voorwerpen die in de smaak vielen bij de primitieve mensen. De handel in het verbeterde zout dat door de raad voor wetenschap en kunst werd geproduceerd, werd door hen sterk uitgebreid.

66:5.12 (747.2) Het was binnen deze verlichte groepen die waren opgeleid in de scholen van Dalamatia, dat voor het eerst gebruik werd gemaakt van handelskrediet. Vanuit een centrale kredietbeurs werden bewijzen gewaarborgd, welke in plaats van de werkelijke ruilobjecten werden geaccepteerd. De wereld heeft in vele honderden millennia geen betere manieren van zakendoen ontwikkeld.

66:5.13 (747.3) 6. Het college van de geopenbaarde religie. Deze groep functioneerde slechts moeizaam. De beschaving op Urantia werd letterlijk gesmeed tussen het aambeeld van nooddruft en de hamers van vrees. Maar deze groep had aanzienlijke vorderingen gemaakt in hun inspanning om de vrees voor de Schepper in de plaats te stellen voor vrees voor schepselen (de verering van geesten), voordat hun werk werd onderbroken door de latere verwarring waarmee de afscheiding gepaard ging. Het hoofd van deze raad was Hap.

66:5.14 (747.4) Geen enkel lid van de staf van de Vorst zou openbaring aanbieden om de evolutie nog ingewikkelder te maken: openbaring werd alleen aangeboden als climax, wanneer de krachten van de evolutie uitputtend waren aangewend. Hap kwam echter wel tegemoet aan het verlangen van de bewoners der stad om een zekere vorm van religieuze erdienst in te voeren. Zijn groep verschafte de Dalamatianen de zeven gezangen van godsverering en gaf hun ook de lofzegging voor iedere dag, en tenslotte leerde zij hun ‘het gebed van de Vader,’ dat luidde:

66:5.15 (747.5) ‘Vader van allen, wiens Zoon wij eer bewijzen, zie in gunst op ons neer. Verlos ons van de vrees voor alle dingen behalve voor u. Laat ons een vreugde zijn voor onze goddelijke leraren en geef dat onze lippen immer waarheid spreken. Bevrijd ons van geweld en boosheid; geef ons respect voor onze oudsten en voor datgene wat onze medemens toebehoort. Geef ons dit jaar groene weiden en vruchtbare kudden om onze harten te verblijden. Wij bidden voor de spoedige komst van hem die ons beloofd is en ons zal verheffen, en wij wensen uw wil te doen op deze wereld, zoals anderen dat doen op de werelden elders.’

66:5.16 (747.6) Hoewel de staf van de Vorst zich voor de verbetering van het ras moest beperken tot natuurlijke middelen en gebruikelijke methoden, droeg zij wel de belofte uit van het Adamische geschenk van een nieuw ras, dat het doel was van de verdere evolutionaire groei wanneer de biologische ontwikkeling haar hoogtepunt bereikt zou hebben.

66:5.17 (747.7) 7. De bewakers van gezondheid en leven. Deze raad was belast met de invoering van gezondheidszorg en de bevordering van een eenvoudige hygiëne; deze raad werd geleid door Lut.

66:5.18 (747.8) De leden van de raad gaven veel onderricht dat in de verwarring van de daaropvolgende eeuwen weer verloren is gegaan, en pas in de twintigste eeuw opnieuw werd ontdekt. Zij leerden de mensheid dat koken, stoven en roosteren middelen waren om ziekten te voorkomen, en eveneens dat koken de kindersterfte sterk verminderde en het vroege spenen vergemakkelijkte.

66:5.19 (747.9) Veel van het vroege onderricht van de gezondheidsbewakers van Lut heeft tot de tijd van Mozes onder de stammen op aarde stand gehouden, hoewel in zeer verminkte en veranderde vorm.

66:5.20 (748.1) De grote hinderpaal bij de bevordering van de hygiëne onder deze onwetende volken was het feit dat de werkelijke oorzaken van vele ziekten te klein waren om met het blote oog te zien, en ook dat al deze volken een bijgelovige vrees voor vuur koesterden. Het duurde duizenden jaren voordat zij bewogen konden worden vuilnis te verbranden. Intussen werden zij aangespoord hun rottende afval te begraven. Wat de gezondheid in die tijden sterk bevorderde, was de verbreiding van kennis inzake de gezondmakende en ziekten bestrijdende eigenschappen van zonlicht.

66:5.21 (748.2) Vóór de komst van de Vorst was baden uitsluitend een religieus ceremonieel geweest. Het was werkelijk moeilijk om primitieve mensen ertoe te bewegen hun lichaam uit gezondheidsoverwegingen te wassen. Ten slotte overreedde Lut de godsdienstleraren om de reiniging met water een onderdeel te maken van de zuiveringsceremoniën, welke eens per week, als de Vader van allen werd vereerd, bij de middagwijding werden uitgevoerd.

66:5.22 (748.3) Deze bewakers van de gezondheid trachtten ook de handdruk in te voeren, in plaats van het uitwisselen van speeksel of het drinken van bloed ter bezegeling van persoonlijke vriendschap en als teken van trouw aan de groep. Wanneer echter deze primitieve volken onder de dwingende druk van het onderricht van hun superieure leiders uit waren, vielen ze spoedig terug in hun vroegere, uit onwetendheid en bijgeloof voortkomende gewoonten die de gezondheid verwoestten en ziekten verwekten.

66:5.23 (748.4) 8. De planetaire raad voor kunst en wetenschap. Dit korps deed veel voor de verbetering van de nijverheidstechnieken van de vroege mens en voor de verheffing van zijn gevoel voor schoonheid. Hun leider was Mek.

66:5.24 (748.5) De kunst en de wetenschap stonden in de gehele wereld op een laag peil, doch de Dalamatiërs werden onderricht in de elementaire beginselen van natuurkunde en scheikunde. Het pottenbakken werd bevorderd, de decoratieve kunsten werden alle op hoger peil gebracht, en de idealen van menselijke schoonheid werden sterk benadrukt. In de muziek werden echter weinig vorderingen gemaakt tot na de komst van het violette ras.

66:5.25 (748.6) Ondanks het herhaaldelijk aandringen van hun leraren, waren deze primitieve mensen er niet toe te brengen met stoomkracht te experimenteren: zij konden hun grote angst voor de explosieve kracht van samengeperste stoom nooit de baas worden. Ten slotte werden ze wel ertoe overgehaald met metaal en vuur te werken, ofschoon een stuk roodgloeiend metaal een angstaanjagend voorwerp was voor de vroege mens.

66:5.26 (748.7) Mek spande zich zeer in om de beschaving van de Andonieten te bevorderen en verbeterde de kunst van de blauwe mens. Een vermenging van de blauwe mens met het ras der Andonieten bracht een artistiek begaafd type mensen voort, en velen van dezen werden meesters in de kunst van het beeldhouwen. Zij bewerkten geen steen of marmer, doch hun werkstukken uit klei, die door bakken waren gehard, sierden de tuinen van Dalamatia.

66:5.27 (748.8) Grote vooruitgang werd geboekt in de huiselijke kunsten, maar het meeste daarvan ging verloren in de lange, donkere tijd van de opstand, om pas in de moderne tijd opnieuw te worden ontdekt.

66:5.28 (748.9) 9. De bestuurders voor betere stamverhoudingen. Dit was de groep die de taak had om de menselijke samenleving op een staatsniveau te brengen. Hun leider was Tut.

66:5.29 (748.10) Deze leiders droegen er veel toe bij dat er intertribale huwelijke gesloten konden worden. Zij moedigden verkering en huwelijk aan na voorafgaand overleg en nadat er volop gelegenheid was gegeven elkaar te leren kennen. De zuiver militaire oorlogsdansen werden verfijnd en dienstbaar gemaakt aan waardevolle sociale doeleinden. Er werden veel wedstrijdspelen ingevoerd, maar deze volken uit de oudheid waren ernstige mensen: deze vroege stammen hadden weinig gevoel voor humor. Slechts weinige van deze gewoonten bleven in stand na de latere desintegratie door de planetaire opstand.

66:5.30 (749.1) Tut en zijn medewerkers spanden zich in om de vreedzame samenwerking tussen de groepen te bevorderen, de oorlogvoering aan regels te binden en menselijker te maken, de betrekkingen tussen de stammen te coördineren, en het bestuur van de stammen te verbeteren. In de omgeving van Dalamatia ontwikkelde zich een hogere beschaving, en deze betere sociale betrekkingen waren zeer nuttig om meer afgelegen stammen te beïnvloeden. Maar het patroon van de civilisatie die in het hoofdkwartier van de Vorst heerste, verschilde sterk van de barbaarse gemeenschap welke zich elders ontwikkelde, precies zoals de de twintigste eeuwse samenleving in Kaapstad, Zuid-Afrika, totaal anders is dan de primitieve cultuur van de kleine Bosjesmannen in het noorden.

66:5.31 (749.2) 10. De hoge raad voor tribale coördinatie en raciale samenwerking. Deze hoge raad werd geleid door Van en was het hof van beroep voor alle andere negen commissies die waren belast met het toezicht op de menselijke aangelegenheden. Deze raad had een breed werkterrein, aangezien alle aardse aangelegenheden die niet duidelijk aan de andere groepen waren toegewezen, aan haar werden toevertrouwd. Dit geselecteerde korps was goedgekeurd door de Constellatie-Vaders op Edentia voordat het werd gemachtigd om de functies van de hoge raad van Urantia op zich te nemen.

6. Het bewind van de Vorst

66:6.1 (749.3) De mate waarin een wereld beschaafd is, wordt afgelezen aan het sociale erfgoed van haar ingeborenen, en het tempo van de culturele ontwikkeling wordt geheel bepaald door het vermogen van haar bewoners om nieuwe, vooruitstrevende ideeën te begrijpen.

66:6.2 (749.4) De slaafse onderworpenheid aan tradities brengt weliswaar stabiliteit en samenwerking voort doordat zij verleden en heden gevoelsmatig verbindt, doch zij onderdrukt eveneens het initiatief en knecht de creatieve vermogens van de persoonlijkheid. De gehele wereld was gevangen in de impasse van aan traditie gebonden zeden toen de honderd van Caligastia arriveerden en de nieuwe boodschap van het individuele initiatief begonnen te verkondigen binnen de sociale groeperingen van die tijd. Dit zegenrijke bewind werd echter zo spoedig verstoord, dat de volken nooit geheel vrij zijn gekomen van het slavenjuk van vaste gebruiken: gewoonten hebben nog steeds een overmatig grote invloed op Urantia.

66:6.3 (749.5) De honderd van Caligastia – afgestudeerd op de woningwerelden van Satania – kenden de kunsten en cultuur van Jerusem zeer goed, doch deze kennis is bijna zonder waarde op een barbaarse planeet die door primitieve mensen wordt bewoond. Deze wijze wezens waren wel zo verstandig geen plotselinge transformaties tot stand te willen brengen, of de primitieve volken van die tijd massaal te willen verbeteren. Zij begrepen heel goed dat de menselijke soort maar langzaam evolueert en onthielden zich wijselijk van iedere radicale poging om de levenswijze van de mensen op aarde te modificeren.

66:6.4 (749.6) Elk van de tien planetaire commissies begon langzaam en op natuurlijke wijze de haar toevertrouwde belangen te behartigen. Hun plan bestond uit het aantrekken uit de omliggende stammen van de leden met het beste verstand, en dezen, na hun opleiding, terug te sturen naar hun eigen mensen, om te dienen als boden van sociale verheffing.

66:6.5 (749.7) Er werden nooit vreemde boden naar een ras gezonden, tenzij deze mensen hier specifiek om vroegen. Zij die voor de verheffing en vooruitgang van een bepaalde stam of een bepaald volk werkten, waren altijd afkomstig uit die stam of dat volk. De honderd probeerden niet de gewoonten en zeden van zelfs een superieur ras op te dringen aan enig andere stam. Steeds werkten zij geduldig aan de verheffing en uitbreiding van de door de tijd beproefde zeden van ieder ras. De eenvoudige mensen van Urantia brachten hun sociale gebruiken naar Dalamatia, niet om deze in te ruilen voor nieuwe, betere gewoonten, doch om ze te verbeteren door het contact met een hogere beschaving en door omgang met mensen met een superieur verstand. Dit proces was langzaam, maar zeer effectief.

66:6.6 (750.1) De leraren in Dalamatia trachtten de zuiver natuurlijke selectie van de biologische evolutie aan te vullen met een bewuste sociale selectie. Zij verstoorden de menselijke samenleving niet, maar zij hebben haar normale en natuurlijke ontwikkeling aanzienlijk versneld. Hun drijfveer was vooruitgang door evolutie, en niet revolutie door openbaring. De mensheid had er eeuwen over gedaan om het weinige te verwerven dat zij aan religie en zeden bezat, en deze supermensen waren wel zo verstandig de mensheid deze geringe vooruitgang niet te ontnemen door de verwarring en verbijstering welke altijd ontstaan als verlichte, superieure wezens trachten de achtergebleven rassen te verheffen door teveel onderricht en teveel geestelijke verlichting.

66:6.7 (750.2) Als Christelijke zendelingen naar de binnenlanden van Afrika gaan, waar zonen en dochters verondersteld worden onder het toezicht en de leiding van hun ouders te blijven zolang de ouders leven, veroorzaken zij slechts verwarring en de ineenstorting van alle gezag, wanneer zij trachten deze gewoonte binnen één generatie opzij te zetten door te onderrichten dat deze kinderen bij het bereiken van de eenentwintigjarige leeftijd vrij moeten zijn van alle beperkingen die hun ouders hun opleggen.

7. Het leven in Dalamatia

66:7.1 (750.3) Het hoofdkwartier van de Vorst was alles bij elkaar genomen bescheiden, hoewel het buitengewoon fraai was, en was ontworpen om de primitieve mensen van die tijd ontzag in te boezemen. De gebouwen waren niet uitzonderlijk groot, daar het de bedoeling was van deze geïmporteerde leraren om door het introduceren van veeteelt uiteindelijk de ontwikkeling van de landbouw te bevorderen. Er was binnen de stadsmuren voldoende land beschikbaar voor weiden en tuinen, om een bevolking van ongeveer twintigduizend zielen te kunnen onderhouden.

66:7.2 (750.4) Het interieur van de centraal gelegen tempel voor de erediensten en van de tien raadhuizen voor de toezichthoudende groepen supermensen waren inderdaad schone kunstwerken. En hoewel de verblijfsgebouwen voorbeeldig netjes en schoon waren, was alles zeer eenvoudig en over het algemeen primitief, vergeleken met de ontwikkelingen van latere dagen. In dit hoofdkwartier van de cultuur werden geen methoden toegepast welke niet van nature op Urantia hoorden.

66:7.3 (750.5) De lichamelijke staf van de Vorst had de leiding over eenvoudige, voorbeeldige woonverblijven, ontworpen met het oogmerk om de leerlingen die in dit sociale en educatieve centrum van de wereld verbleven, te inspireren en gunstig te beïnvloeden.

66:7.4 (750.6) Het duidelijk geregelde gezinsleven en het samenwonen van één gezin in één verblijf op een betrekkelijk vaste plaats, dateren uit deze tijd van Dalamatia, en waren voornamelijk te danken aan het voorbeeld en het onderricht van de honderd en hun leerlingen. Het huisgezin was als sociale eenheid nooit een succes geweest totdat de mensheid door de bovenmenselijke mannen en vrouwen van Dalamatia ertoe werd gebracht ook hun kleinkinderen en achterkleinkinderen lief te hebben en voorzieningen voor hen te treffen. De wilde mens houdt van zijn kind, maar de geciviliseerde mens heeft ook zijn kleinkind lief.

66:7.5 (750.7) De stafleden van de Vorst leefden tezamen als vaders en moeders. Weliswaar hadden zij zelf geen kinderen, maar de vijftig modelwoningen van Dalamatia verleenden onderdak aan wel vijfhonderd geadopteerde kinderen die waren bijeengebracht uit de superieure families van de Andonische en Sangik-rassen; velen van deze kinderen waren wezen. Zij hadden het voorrecht discipline te leren van, en opgevoed te worden door deze bovenmenselijke ouders; en vervolgens, na drie jaar onderricht in de scholen van de Vorst (waar zij tussen hun dertiende en vijftiende jaar werden ingeschreven), kwamen zij in aanmerking voor het huwelijk en waren ze gereed om aangesteld te worden als afgezanten van de Vorst naar de behoeftige stammen van hun respectieve volken.

66:7.6 (751.1) Fad had de verantwoordelijkheid voor het leerplan van Dalamatia, dat werd uitgevoerd in een nijverheidsschool waar de leerlingen al doende leerden, en die zij al werkend doorliepen door iedere dag nuttige opdrachten uit te voeren. In dit opvoedkundige plan werden het denken en het gevoelsleven bij de ontwikkeling van het karakter niet verwaarloosd, maar de opleiding in handenarbeid kwam op de eerste plaats. Het onderwijs was zowel individueel als collectief. De leerlingen werden onderwezen door zowel mannen als vrouwen en ook door hen gezamenlijk. Bij de helft van het groepsonderwijs waren de seksen gescheiden; de andere helft was voor jongens en meisjes samen. De leerlingen kregen individueel onderricht in handvaardigheid en werden in groepen of klassen gesocialiseerd. Hun werd geleerd om zich te kunnen verbroederen met jongere groepen, oudere groepen, en volwassenen, en ook om met leerlingen van hun eigen leeftijd in groepsverband samen te werken. Zij werden ook vertrouwd gemaakt met familiegroepen, speelgroepen en schoolklassen.

66:7.7 (751.2) Onder de latere leerlingen die in Mesopotamië werden opgeleid om onder hun respectieve rassen te gaan werken, waren Andonieten uit de hooglanden in het westen van India, alsook vertegenwoordigers van de rode en blauwe mensen; nog later werd ook een klein aantal van het gele ras opgenomen.

66:7.8 (751.3) Hap gaf de vroege rassen een morele wetgeving. Deze regels stonden bekend als ‘De Weg van de Vader’ en omvatten de volgende zeven geboden:

66:7.9 (751.4) 1. Ge zult geen andere God vrezen of dienen dan de Vader van allen.

66:7.10 (751.5) 2. Ge zult niet ongehoorzaam zijn aan de Zoon des Vaders, de heerser van de wereld, noch oneerbiedig zijn tegenover zijn bovenmenselijke medewerkers.

66:7.11 (751.6) 3. Ge zult niet liegen wanneer ge voor de rechters van het volk verschijnt.

66:7.12 (751.7) 4. Ge zult geen mannen, vrouwen of kinderen doden.

66:7.13 (751.8) 5. Ge zult niet de goederen of het vee van uw naaste stelen.

66:7.14 (751.9) 6. Ge zult de vrouw van uw vriend niet aanraken.

66:7.15 (751.10) 7. Ge zult niet oneerbiedig zijn tegenover uw ouders of de oudsten van de stam.

66:7.16 (751.11) Ongeveer driehonderdduizend jaar lang was dit de wetgeving van Dalamatia. En vele stenen tafels waarop deze geboden gegraveerd stonden, liggen nu onder water voor de kusten van Mesopotamië en Perzië. Het werd de gewoonte iedere dag van de week één van deze geboden in gedachten te houden en dit te gebruiken als begroeting en als dankzegging bij het eten.

66:7.17 (751.12) De tijdrekening in die dagen was de maanmaand, die werd berekend als een periode van achtentwintig dagen. Behalve de dag en de nacht, was dit de enige tijdrekening welke deze eerste volken kenden. De zevendaagse week werd door de leraren van Dalamatia ingevoerd en kwam voort uit het feit dat zeven een kwart is van achtentwintig. De betekenis die het getal zeven in het superuniversum heeft, gaf hun ongetwijfeld de gelegenheid een geestelijke geheugensteun te introduceren in de gewone tijdrekening. De wekelijkse periode heeft echter geen natuurlijke oorsprong.

66:7.18 (751.13) Het grondgebied rondom de stad was binnen een straal van honderdzestig kilometer zeer wel ontgonnen. Direct rond de stad hielden honderden afgestudeerden van de school van de Vorst zich bezig met veeteelt en brachten ook anderszins het onderwijs in praktijk dat zij van zijn staf en hun talrijke menselijke helpers hadden ontvangen. Enkelen hielden zich bezig met land- en tuinbouw.

66:7.19 (751.14) De mensheid werd niet veroordeeld tot zware landarbeid als straf voor veronderstelde zonde. ‘In het zweet uws aanschijns zult ge de vruchten van het land eten’ was geen opgelegde straf omdat de mens onder aanvoering van de verraderlijke Caligastia had deelgenomen aan de dwaasheden van de rebellie van Lucifer. De bewerking van het land is inherent aan het vestigen van een vorderende civilisatie op de evolutionaire werelden, en deze opdracht stond centraal in alle onderricht van de Planetaire Vorst en zijn staf, gedurende de driehonderdduizend jaar tussen hun aankomst op Urantia en de tragische dagen toen Caligastia gemene zaak maakte met de opstandige Lucifer. Het bewerken van het land is geen vloek; het is integendeel de grootste zegen voor allen aan wie het is vergund de menselijkste van alle menselijke activiteiten te mogen uitoefenen.

66:7.20 (752.1) Bij het uitbreken van de rebellie was het inwonersaantal van Dalamatia bijna zesduizend. Hierin waren de vaste studenten begrepen, doch niet de bezoekers en waarnemers, wier aantal altijd meer dan duizend was. Maar ge kunt u niet voorstellen hoe wonderbaarlijk de vooruitgang in die lang vervlogen tijden was: vrijwel alle prachtige verworvenheden van de mens in die tijd werden weggevaagd door de verschrikkelijke verwarring en rampzalige geestelijke duisternis, die volgden op de catastrofe van het bedrog en de revolte van Caligastia.

8. De rampspoed van Caligastia

66:8.1 (752.2) Terugkijkend op de lange loopbaan van Caligastia, zien wij slechts één opvallend aspect in zijn gedrag dat de aandacht had kunnen trekken: hij was ultra-individualistisch. Hij had de neiging zich aan de zijde van bijna iedere protesterende partij te scharen, en hij stond gewoonlijk sympathiek tegenover degenen die in voorzichtige bewoordingen impliciete kritiek gaven. Wij ontdekken de eerste verschijnselen van deze neiging in een zekere ongedurigheid onder gezag, in het licht aanstoot nemen aan iedere vorm van toezicht. Hoewel hij lichtgeraakt was als ouderen hem raad gaven en in zekere mate weerspannig was onder hoger gezag, bleek hij niettemin telkenmale als hij op de proef werd gesteld, loyaal te zijn ten opzichte van de regeerders van het universum en gehoorzaam aan de mandaten van de Constellatie-Vaders. Tot de tijd van zijn schandelijke verraad van Urantia werden er nooit echte fouten in hem aangetroffen.

66:8.2 (752.3) Wij merken hierbij op dat zowel Lucifer als Caligastia geduldig waren onderricht en liefdevol waren gewaarschuwd met betrekking tot hun kritische neigingen en de subtiele ontwikkeling van hun zelfingenomenheid en het overdreven gevoel van eigenwaarde dat daarmee samenging. Al deze pogingen om hen te helpen waren evenwel verkeerd uitgelegd als ongegronde kritiek en als ongerechtvaardigde inbreuk op hun persoonlijke vrijheden. Beiden, Caligastia en Lucifer, waren van oordeel dat de hun gunstig gezinde adviseurs werden gedreven door de zeer laakbare motieven die hun eigen verwrongen gedachten en verdwaasde plannen begonnen te overheersen. Zij beoordeelden hun onzelfzuchtige raadslieden naar hun eigen zich ontwikkelende zelfzucht.

66:8.3 (752.4) Na de komst van Vorst Caligastia ging de planetaire civilisatie gedurende driehonderdduizend jaren op tamelijk normale wijze vooruit. Afgezien van het feit dat Urantia een levensmodificatie-planeet was en dientengevolge onderhevig aan talrijke onregelmatigheden en ongebruikelijke episoden van evolutionaire fluctuatie, ontwikkelde zij zich op zeer bevredigende wijze tijdens haar planetaire loopbaan, tot het tijdstip van de opstand van Lucifer en het daarmee samenvallende verraad van Caligastia. De gehele latere geschiedenis is op beslissende wijze door deze catastrofale vergissing gemodificeerd, evenals door het latere falen van Adam en Eva in het volbrengen van hun planetaire missie.

66:8.4 (752.5) Ten tijde van de Lucifer-rebellie verviel ook de Vorst van Urantia tot duisternis, en veroorzaakte daardoor de langdurige verwarring die zich van de planeet meester maakte. Daarna werd hem zijn soeverein gezag ontnomen door de gecoördineerde actie van de regeerders van de constellatie en andere autoriteiten in het universum. Hij deelde in de onvermijdelijke lotswisseling van het geïsoleerde Urantia tot aan de tijd van het verblijf van Adam op de planeet, en droeg enigermate bij tot de mislukking van het plan om de rassen der stervelingen op hoger niveau te brengen door toevoeging van het levensbloed van het nieuwe violette ras – de afstammelingen van Adam en Eva.

66:8.5 (753.1) In de tijd van Abraham werd de macht van de gevallen Vorst om de aangelegenheden der mensen te verstoren enorm beperkt door de incarnatie van Machiventa Melchizedek als sterveling; en later, tijdens het leven van Michael in het vlees, werd deze verraderlijke Vorst tenslotte alle gezag op Urantia ontnomen.

66:8.6 (753.2) Hoewel er door de aanwezigheid van de verraderlijke en ongerechtige Caligastia enige grond bestond voor de leerstelling dat er een persoonlijke duivel op Urantia verkeerde, was het niettemin niet meer dan een verzinsel indien er werd onderricht dat zo’n ‘duivel’ het normale menselijke bewustzijn zou kunnen beïnvloeden tegen de vrije en natuurlijke keuze in. Zelfs vóór de zelfschenking van Michael op Urantia zijn noch Caligastia, noch Daligastia ooit in staat geweest de stervelingen te onderdrukken of een normaal mens te dwingen iets tegen zijn wil te doen. In morele aangelegenheden is de vrije wil van de mens oppermachtig; zelfs de inwonende Gedachtenrichter weigert de mens te dwingen tot ook maar één enkele gedachte of tot ook maar één enkele daad die tegen de keuze van ’s mensen eigen wil in zou gaan.

66:8.7 (753.3) En nu wacht deze rebel van dit gebied, beroofd van alle macht om zijn vroegere onderdanen schade te berokkenen, op de uiteindelijke berechting van allen die hebben deelgenomen aan de rebellie van Lucifer, door de Ouden der Dagen op Uversa.

66:8.8 (753.4) [Aangeboden door een Melchizedek van Nebadon.]





Back to Top