HET URANTIA BOEK - Verhandeling 40. De Opklimmende Zonen van God

(UF-DUT-001-1997-1)

HET URANTIA BOEK   

DEEL II: HET PLAATSELIJK UNIVERSUM

Verhandeling 40. De Opklimmende Zonen van God



Verhandeling 40. De Opklimmende Zonen van God

40:0.1 (443.1) ZOALS van veel van de belangrijkste groepen wezens in het universum, zijn er ook van de Opklimmende Zonen van God zeven hoofdklassen geopenbaard:

40:0.2 (443.2) 1. met de Vader gefuseerde Stervelingen;

40:0.3 (443.3) 2. met de Zoon gefuseerde Stervelingen;

40:0.4 (443.4) 3. met de Geest gefuseerde Stervelingen;

40:0.5 (443.5) 4. Evolutionaire Serafijnen;

40:0.6 (443.6) 5. Opklimmende Materiële Zonen;

40:0.7 (443.7) 6. Overgebrachte Middenwezens;

40:0.8 (443.8) 7. Gepersonaliseerde Richters.

40:0.9 (443.9) Het verhaal van deze wezens, van de nederige stervelingen van dierlijke afkomst van de evolutionaire werelden tot en met de Gepersonaliseerde Richters van de Universele Vader, vormt een luisterrijk relaas over de onbeperkte schenking van goddelijke liefde en genadevolle minzaamheid door alle tijden en in alle universa van de wijdverbreide schepping van de Godheden in het Paradijs.

40:0.10 (443.10) Deze verhandelingen zijn begonnen met een beschrijving van de Godheden, en de universele ladder van levende wezens is in dit relaas groep na groep behandeld, tot nu de laagste levensorde is bereikt die met het potentieel van onsterfelijkheid is begiftigd; thans ben ik – eens een sterveling die op een evolutionaire wereld in de ruimte was ontstaan – van Salvington uitgestuurd om het verhaal over de eeuwige bedoeling der Goden ten aanzien van de opklimmende orden van zoonschap voort te zetten en uit te werken, meer in het bijzonder met betrekking tot de sterfelijke schepselen in tijd en ruimte.

40:0.11 (443.11) Waar het grootste deel van dit verhaal gewijd zal zijn aan de bespreking van de drie fundamentele orden der opklimmende stervelingen, zal ik eerst aandacht schenken aan de niet-sterfelijke opklimmende orden van zoonschap: de serafijnse, de orde van Adams, de middenwezens en de Richters.

1. Evolutionaire serafijnen

40:1.1 (443.5) Sterfelijke schepselen van dierlijke afkomst zijn niet de enige wezens die het voorrecht van het zoonschap bezitten; de engelenscharen hebben eveneens de verheven gelegenheid om het Paradijs te bereiken. Ook serafijnse behoeders bereiken de status van opklimmend zoonschap door ervaring en door diensten aan de opklimmende stervelingen uit de tijd. Deze engelen bereiken het Paradijs via Seraphington en velen worden zelfs in het Korps van Sterfelijke Volkomenheid opgenomen.

40:1.2 (443.6) Het opklimmen tot de verheven hoogten van het volkomen zoonschap bij God betekent voor een engel een meesterlijke prestatie, een vervulling die ver uitgaat boven uw bereiken van eeuwige overleving door het plan van de Eeuwige Zoon en de altijd aanwezige hulp van de inwonende Richter; maar de serafijnse behoeders, en soms ook andere engelen, verwezenlijken deze opklimming werkelijk.

2. Opklimmende Materiële Zonen

40:2.1 (444.1) De Materiële Zonen Gods worden geschapen in het plaatselijk universum, samen met de Melchizedeks en hun medewerkers, die allen worden geklassificeerd als neerdalende Zonen. De Planetaire Adams – de Materiële Zonen en Dochters van de evolutionaire werelden – zijn ook inderdaad neerdalende Zonen, die omlaag komen naar de bewoonde werelden vanuit de werelden van hun oorsprong, de hoofdwerelden van de plaatselijke stelsels.

40:2.2 (444.2) Wanneer zo’n Adam en Eva geheel zijn geslaagd in hun gezamenlijke planetaire missie als biologische verheffers, delen zij de bestemming van de bewoners van hun wereld. Wanneer zo’n wereld is bestendigd in de gevorderde stadia van licht en leven, krijgen deze getrouwe Materiële Zoon en Dochter toestemming om alle planetaire bestuurlijke plichten neer te leggen, en als zij aldus zijn vrijgesteld van het avontuur van de neerdaling wordt hun toegestaan zich als vervolmaakte Materiële Zonen te laten inschrijven in de registers van het plaatselijk universum. Wanneer een aanstelling op een planeet lang op zich laat wachten, mogen Materiële Zonen met stationaire status – de burgers van de plaatselijke stelsels – zich eveneens terugtrekken uit hun werkzaamheden op de werelden waar zij deze status hebben en zich op dezelfde wijze laten inschrijven als vervolmaakte Materiële Zonen. Na deze formaliteiten worden deze bevrijde Adams en Eva’s officieel erkend als opklimmende Zonen Gods en kunnen zij onmiddellijk de lange reis naar Havona en het Paradijs aanvangen, beginnend in de status die zij precies op dat moment bezitten en op het geestelijke niveau dat zij hebben bereikt. Zij maken deze reis in gezelschap van de sterfelijke en andere opklimmende Zonen, en vervolgen deze totdat zij God hebben gevonden en het Korps der Sterfelijke Volkomenheid hebben bereikt dat de Paradijs-Godheden eeuwig dient.

3. Overgebrachte middenwezens

40:3.1 (444.3) Hoewel zij verstoken zijn van de directe voordelen die de zelfschenkingen van de neerdalende Zonen van God aan de planeten met zich meebrengen, en ofschoon de opklimming naar het Paradijs lang op zich laat wachten, worden beide groepen middenwezens niettemin van hun planetaire taken ontheven kort nadat een evolutionaire planeet de middelste tijdperken van licht en leven heeft bereikt, zoal niet eerder. Soms wordt de meerderheid van hen samen met hun menselijke verwanten overgebracht op de dag dat de tempel des lichts neerdaalt en de Planetaire Vorst tot de waardigheid van Planetair Soeverein wordt verheven. Nadat ze van hun planetaire dienst zijn ontheven, worden beide orden in het plaatselijk universum geregistreerd als opklimmende Zonen Gods en beginnen zij meteen aan de lange opklimming naar het Paradijs, langs dezelfde wegen die verordend zijn voor de voortgang van de sterfelijke rassen van de materiële werelden. De primaire groep is bestemd voor verschillende korpsen van volkomenen, maar de weg van alle secundaire of Adamische middenwezens leidt tot opname in het Sterfelijke Korps van Volkomenheid.

4. Gepersonaliseerde Richters

40:4.1 (444.4) Wanneer de stervelingen in de tijd er niet in slagen de eeuwige overleving van hun ziel te verwezenlijken in planetaire samenwerking met de geest-gaven van de Universele Vader, is zulk een mislukking nimmer ook maar enigszins te wijten aan verzuim van plichten, bijstand, dienstbetoon of toewijding van de kant van de Richter. Bij de dood van de sterveling keren deze verlaten Mentoren terug naar Divinington en na het gerechtelijke oordeel over de niet-overlevende, kunnen zij vervolgens opnieuw worden aangesteld op de werelden in tijd en ruimte. Na zo herhaaldelijk dienst te hebben gedaan of na het doormaken van een ongewone ervaring, zoals het dienstdoen als inwonende Richter van een geïncarneerde zelfschenking-Zoon, worden deze bekwame Richters soms gepersonaliseerd door de Universele Vader.

40:4.2 (445.1) Gepersonalieerde Richters zijn wezens van een unieke, ondoorgrondelijke orde. Oorspronkelijk van existentiële, voorpersoonlijke status, zijn zij ervaringswezens geworden door deel te nemen aan het leven en de loopbaan van de nederige stervelingen van de materiële werelden. En aangezien de persoonlijkheid die deze ervaren Gedachtenrichters wordt geschonken afkomstig is van de Universele Vader en ontspringt aan diens persoonlijke, voortdurende dienstbetoon van de schenking van ervaringspersoonlijkheid aan de schepselen die hij heeft geschapen, worden deze Gepersonaliseerde Richters geklassificeerd als Opklimmende Zonen Gods, de hoogste van dergelijke orden van zonen.

5. Stervelingen in tijd en ruimte

40:5.1 (445.2) Stervelingen vormen de laatste schakel in de keten van die wezens die zonen Gods worden genoemd. De persoonlijke aanraking van de Oorspronkelijke, Eeuwige Zoon zet zich via een reeks afnemend goddelijke en toenemend menselijke personalisaties voort, totdat er een wezen verschijnt dat veel op u lijkt, iemand die ge kunt zien, horen en aanraken. En dan wordt ge geestelijk bewust gemaakt van de grote waarheid die uw geloof kan begrijpen, uw zoonschap bij de eeuwige God!

40:5.2 (445.3) Evenzo komt de Oorspronkelijke, Oneindige Geest in een lange reeks afnemend goddelijke en toenemend menselijke orden steeds nader tot de worstelende schepselen van uw gebieden en be- reikt zij de grens van haar uitdrukking in de engelen – dan wie gij slechts een weinig lager gescha- pen zijt – die u persoonlijk behoeden en leiden op de levensreis van uw sterfelijke loopbaan in de tijd.

40:5.3 (445.4) God de Vader daalt niet alzo trapsgewijs af om tot zulk intiem persoonlijk contact te komen met het vrijwel onbeperkte aantal opklimmende schepselen in heel het universum van universa, en kan dit ook niet. De Vader is echter niet verstoken van persoonlijk contact met zijn nederige schepselen: gij zijt niet verstoken van de goddelijke tegenwoordigheid. Ofschoon God de Vader niet bij u kan zijn door directe manifestaties van zijn persoonlijkheid, is hij wèl in u en van u in de identiteit van de inwonende Gedachtenrichter, de goddelijke Mentor. Op deze wijze nadert de Vader, die in persoonlijkheid en in geest het verst van u af staat, u toch het dichtst in het persoonlijkheidscircuit en in de geest-aanraking van de innerlijke gemeenschap met de diepste ziel van zijn sterfelijke zonen en dochters.

40:5.4 (445.5) Vereenzelviging met geest vormt het geheim van de persoonlijke overleving en bepaalt de bestemming van de geestelijke opklimming. Waar de Gedachtenrichters dan ook de enige geesten zijn met het potentieel tot fusie die zich vereenzelvigen met de mens gedurende diens leven in het vlees, worden de stervelingen in tijd en ruimte allereerst ingedeeld overeenkomstig hun relatie met deze goddelijke gaven, de inwonende Geheimnisvolle Mentoren. Deze indeling is als volgt:

40:5.5 (445.6) 1. stervelingen bij wie het verblijf van de Richter van voorbijgaande aard is, of dient om ervaring te verwerven;

40:5.6 (445.7) 2. stervelingen van het type dat niet met de Richter fuseert;

40:5.7 (445.8) 3. stervelingen met het potentieel om met de Richter te fuseren.

40:5.8 (445.9) Serie één – stervelingen met een voorbijgaande of experiëntiële inwoning van de Richter. Deze serie-aanduiding is voor iedere evoluerende planeet tijdelijk en wordt gedurende de vroege stadia van alle bewoonde werelden gebruikt, behalve die van de tweede serie.

40:5.9 (445.10) Stervelingen van serie één bewonen de werelden in de ruimte gedurende de vroege tijdperken van de evolutie van de mensheid en omvatten de meest primitieve typen menselijk bewustzijn. Op vele werelden zoals Urantia vóór Adam, verwerven grote aantallen hogere en meer geavanceerde typen primitieve mensen het vermogen tot overleven, maar slagen zij er niet in fusie met de Richter te bereiken. Vóór ’s mensen opklimming naar het niveau van hogere geestelijke wilskracht, wonen de Richters eeuwenlang in het bewustzijn van deze worstelende schepselen tijdens hun korte leven in het vlees, en zodra deze wilsschepselen door Richters worden ingewoond, beginnen ook de groepsbeschermengelen te functioneren. Ofschoon deze stervelingen van de eerste serie geen persoonlijke beschermers hebben, hebben zij wel groepsbehoeders.

40:5.10 (446.1) Een experiëntiële Richter blijft bij een primitief mens gedurende diens hele leven in het vlees. De Richters dragen veel bij tot de vooruitgang van primitieve mensen, maar zijn niet in staat om eeuwige verbintenissen met deze stervelingen aan te gaan. Door dit voorbijgaande dienstbetoon van de Richters worden twee zaken tot stand gebracht: ten eerste doen zij waardevolle, daadwerkelijke ervaring op met de natuur en de werking van het evolutionaire verstand, een ervaring welke van onschatbare waarde zal zijn in verband met contacten die ze later, op andere werelden, zullen hebben met wezens die hoger zijn ontwikkeld. Ten tweede betekent het tijdelijke verblijf van de Richters een belangrijke bijdrage tot de voorbereiding van hun sterfelijke subjecten voor een mogelijk daarop volgende fusie met de Geest. Alle Godzoekende zielen van dit type bereiken het eeuwige leven door de geestelijke omhelzing door de Moeder-Geest van het plaatselijk universum, waardoor zij opklimmende stervelingen worden in het regime van het plaatselijk universum. Vele mensen die afkomstig waren van de planeet Urantia van vóór de tijd van Adam zijn aldus bevorderd tot de woningwerelden van Satania.

40:5.11 (446.1) De Goden die beschikt hebben dat de sterfelijke mens via eeuwenlange evolutionaire beproevingen en tegenslagen naar hogere niveaus van geestelijke intelligentie moet opklimmen, letten in elk stadium van zijn opklimming op zijn status en noden; zij zijn dan ook altijd goddelijk billijk en rechtvaardig en zelfs bekoorlijk mild in hun uiteindelijke oordeel over deze worstelende stervelingen uit de begintijd van de evoluerende rassen.

40:5.12 (446.2) Serie twee – stervelingen van het type dat niet met de Richter fuseert. Dit zijn gespecialiseerde typen mensen die niet in staat zijn om een eeuwige verbintenis met hun inwonende Richter te verwezenlijken. Bij de rassen met één-, twee- of driedelige hersenstelsels speelt de klassificatie in soorten geen rol bij de fusie met de Richter: al deze stervelingen zijn verwant, maar deze niet met de Richter fuserende typen vormen een totaal verschillende en duidelijk gemodificeerde orde van wilsschepselen. Velen van de niet-ademende wezens behoren tot deze serie en er zijn nog talrijke andere groepen die gewoonlijk niet met de Richter fuseren.

40:5.13 (446.3) Zoals ook bij serie één, geniet elk lid van deze groep gedurende zijn leven in het vlees het dienstbetoon van een enkele Richter. Gedurende het leven in de tijd doen deze Richters voor de subjecten bij wie ze tijdelijk inwonen alles wat zij op andere werelden, waar de stervelingen wel het potentieel tot fusie hebben, ook doen. De stervelingen van deze tweede groep ontvangen dikwijls de inwoning van maagdelijke Richters, maar de hogere menselijke typen staan dikwijls in verbinding met meesterlijke, ervaren Mentoren.

40:5.14 (446.4) In het opklimmingsplan voor de verheffing van de schepselen van dierlijke oorsprong genieten deze wezens hetzelfde toegewijde dienstbetoon van de Zonen Gods als wordt bewezen aan de stervelingen van het Urantia-type. In de samenwerking van de serafijnen met de Richters wordt op de planeten waar geen fusie plaatsvindt even ruim voorzien als op de werelden waar fusie wèl mogelijk is; de bestemmingsbehoeders dienen op deze werelden op dezelfde wijze als op Urantia en functioneren evenzo ten tijde van het tot overleving komen van de sterveling, op het moment dat de overlevende ziel fuseert met de Geest.

40:5.15 (446.5) Wanneer ge deze gemodificeerde sterfelijke typen op de woningwerelden ontmoet, zult ge zonder moeilijkheden met hen kunnen communiceren. Zij spreken daar dezelfde stelseltaal, doch met gebruik van een gemodificeerde techniek. Deze wezens zijn identiek aan uw orde van geschapen leven wat betreft de manifestaties van de geest en de persoonlijkheid, en verschillen alleen van u in bepaalde lichamelijke trekken en door het feit dat ze niet kunnen fuseren met Gedachtenrichters.

40:5.16 (447.1) De precieze reden waarom deze soort schepselen nooit met de Richters van de Universele Vader kunnen fuseren, kan ik u niet zeggen. Sommigen van ons zijn geneigd te geloven dat de Levendragers zich bij hun pogingen om wezens te ontwerpen die in leven kunnen blijven in een ongebruikelijke planetaire omgeving, geconfronteerd zien met de noodzaak om zulke radicale modificaties aan te brengen in het universum-plan voor intelligente wilsschepselen, dat het inherent onmogelijk wordt om een blijvende vereniging met de Richters tot stand te brengen. Dikwijls hebben wij ons afgevraagd of dit deel van het opklimmingsplan al dan niet zo is bedoeld. Het antwoord hierop hebben wij echter niet gevonden.

40:5.17 (447.2) Serie drie – stervelingen met de mogelijkheid tot fusering met de Richter. Alle met de Vader gefuseerde stervelingen zijn van dierlijke afkomst, net als de rassen op Urantia. Deze serie omvat stervelingen van de typen met één-, twee-of driedelige hersenstelsels, die het vermogen tot fusie met de Richter bezitten. De bewoners van Urantia zijn van het middelste type met tweedelige hersenstelsels en zijn in vele opzichten als mensen superieur aan de groepen met een eendelig hersenstelsel, maar beslist beperkt vergeleken met de orden met driedelige hersenstelsels. Dat deze drie soorten met verschillende fysieke breinen zijn begiftigd, speelt geen rol bij de verlening van Richters, in de diensten van de serafijnen, of in enig ander aspect van het geestelijk dienstbetoon. Het intellectuele en geestelijke verschil tussen de drie soorten hersenstelsels kenmerkt individuen die voor het overige geheel gelijk zijn in het bewustzijn waarmee ze zijn begiftigd en in hun geestelijk potentieel; dit verschil is het grootst in het tijdelijke leven en wordt gaandeweg minder naarmate de woningwerelden één voor één worden doorlopen. Vanaf het hoofdkwartier van het stelsel is de voortgang van deze drie typen dezelfde, en zij hebben een identieke uiteindelijke bestemming op het Paradijs.

40:5.18 (447.3) De ongenummerde series. Deze verslagen kunnen onmogelijk alle fascinerende variaties van de evolutionaire werelden omvatten. Ge weet dat elke tiende wereld een decimale of experimentele planeet is, maar ge weet niets van de andere variabele factoren die het ritme van de processiehymne van de evolutionaire werelden bepalen. Er bestaan zelfs tussen de geopenbaarde orden van levende schepselen teveel verschillen om op te sommen, zoals ook tussen planeten van eenzelfde groep, maar dit geschrift maakt de essentiële verschillen duidelijk in verband met de opklimmingsloopbaan. En deze opklimmingsloopbaan is de belangrijkste factor bij iedere beschouwing van de stervelingen uit tijd en ruimte.

40:5.19 (447.4) Wat de kansen op overleving van de sterveling betreft, moge u dit eens en voor altijd duidelijk zijn: alle zielen in alle mogelijke fasen van het sterfelijke bestaan zullen tot overleving komen, mits zij bereidheid aan de dag leggen om met hun inwonende Richters samen te werken en een verlangen tonen om God te zoeken en goddelijke volmaaktheid te bereiken, ook al zijn deze verlangens slechts de eerste flauwe sprankjes van het primitieve begrip van dat ‘ware licht dat ieder mens die in de wereld komt verlicht.’

6. De geloofszonen Gods

40:6.1 (447.5) De rassen der stervelingen gelden als de vertegenwoordigers van de laagste orde van intelligente en persoonlijke schepselen. Gij stervelingen zijt door God bemind, en ieder van u kan verkiezen de zekere bestemming van een glorieuze ervaring te aanvaarden, maar ge zijt van nature nog niet van de goddelijke orde; ge zijt geheel sterfelijk. Ge zult als een opklimmende zoon beschouwd worden op het ogenblik dat de fusie plaatsvindt, maar de status van de stervelingen in tijd en ruimte is die van geloofszonen vóór de gebeurtenis van de uiteindelijke versmelting van de overlevende sterfelijke ziel met één van de eeuwige, onsterfelijke typen geest.

40:6.2 (448.1) Het is een ernstig, verheven feit dat zulke nederige materiële schepselen als de mensen op Urantia, de zonen van God zijn, geloofskinderen van de Hoogste. ‘Ziet, hoe grote liefde de Vader ons gegeven heeft, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.’ ‘Allen die hem aangenomen hebben, die heeft hij macht gegeven in te zien dat zij zonen Gods zijn.’ Hoewel ‘het nog niet geopenbaard is wat ge zijn zult,’ zijt ge, ook nu reeds, ‘de geloofszonen Gods;’ ‘want ge hebt niet de geest van slavernij ontvangen om wederom te vrezen, maar ge hebt de geest van het zoonschap ontvangen, waardoor ge uitroept, “onze Vader.”’ De profeet in de oudheid sprak uit naam van de eeuwige God: ‘Zelfs aan hen zal ik in mijn huis een plaats geven en een naam beter dan zonen; ik zal hun een eeuwige naam geven, die niet uitgedelgd zal worden.’ ‘En omdat ge zonen zijt, heeft God de geest van zijn Zoon in uw hart gezonden.’

40:6.3 (448.2) Alle evolutionaire werelden die door stervelingen worden bewoond, herbergen deze geloofszonen Gods, zonen van genade en mededogen, sterfelijke wezens die tot de goddelijke familie behoren en dienovereenkomstig zonen Gods worden genoemd. Gij stervelingen op Urantia zijt gerechtigd uzelf als zonen Gods te beschouwen omdat:

40:6.4 (448.3) 1. ge zonen zijt der geestelijke belofte, geloofszonen; ge hebt de status van zoonschap aanvaard. Ge gelooft in de werkelijkheid van uw zoonschap, en zo wordt uw zoonschap bij God eeuwig werkelijk;

40:6.5 (448.4) 2. een Schepper-Zoon van God één der uwen is geworden; hij is in feite uw oudere broeder; en indien ge in de geest waarlijk verwante broeders wordt van Christus, de zegevierende Michael, dan moet ge in de geest ook zonen zijn van die Vader die ge met hem gemeen hebt – namelijk de Universele Vader van allen;

40:6.6 (448.5) 3. ge zonen zijt omdat de geest van een Zoon op u is uitgestort, vrijelijk en zekerlijk aan alle volken op Urantia is geschonken. Deze geest trekt u immer tot de goddelijke Zoon, die haar bron is, en tot de Paradijs-Vader, die de bron is van die goddelijke Zoon;

40:6.7 (448.6) 4. uit zijn eigen goddelijke vrije wilsbeschikking, de Universele Vader u uw persoonlijkheid als schepsel heeft gegeven. Ge zijt begiftigd met een mate van die goddelijke spontaneïteit om uit vrije wil te handelen, die God deelt met allen die zijn zonen kunnen worden;

40:6.8 (448.7) 5. in u een fragment van de Universele Vader woont en ge dus rechtstreeks verwant zijt aan de goddelijke Vader van alle Zonen Gods.

7. Met de Vader gefuseerde stervelingen

40:7.1 (448.8) Het zenden van de Richters, hun inwonen in de mens, is inderdaad een van de onpeilbare mysteries van God de Vader. Deze fragmenten van de goddelijke natuur van de Universele Vader dragen het vermogen tot de onsterfelijkheid van het schepsel in zich. Richters zijn onsterfelijke geesten en de vereniging met hen verleent eeuwig leven aan de ziel van de gefuseerde sterveling.

40:7.2 (448.9) Uw eigen rassen van overlevende stervelingen behoren tot deze groep van opklimmende Zonen van God. Ge zijt nu planetaire zonen, evolutionaire schepselen afkomstig uit de inplantingen van de Levendragers en gemodificeerd door de toevoeging van het Adamische leven, en nog nauwelijks opklimmende zonen; maar ge zijt inderdaad zonen met het vermogen tot opklimmen – ja zelfs tot de hoogste hoogten van heerlijkheid en het bereiken van goddelijkheid – en deze geestelijke status van opklimmend zoonschap kunt ge bereiken door geloof en door vrijwillige samenwerking met de vergeestelijkende activiteiten van de inwonende Richter. Wanneer ge ten slotte voor eeuwig met uw Richter zijt gefuseerd, wanneer gij beiden tot één zijt gemaakt, evenals in Christus Michael de Zoon van God en de Zoon des Mensen één zijn, dan zijt ge in feite opklimmende zonen Gods geworden.

40:7.3 (449.1) De bijzonderheden van de loopbaan van de Richter als inwonend dienstbetoon op een evolutionaire planeet die een proeftijd doormaakt, maken geen deel uit van mijn opdracht; het uitwerken van deze grote waarheid omvat uw hele loopbaan. Ik noem hier slechts bepaalde functies van de Richter teneinde een volledige verklaring te kunnen afleggen over stervelingen die met de Richter zijn gefuseerd. Deze inwonende fragmenten van God zijn bij uw bestaans-orde vanaf de vroege dagen van uw fysieke bestaan, tijdens uw hele loopbaan van opklimming in Nebadon en Orvonton en door Havona, tot aan het Paradijs zelf toe. Daarna, in het avontuur van de eeuwigheid, is dezelfde Richter één met u en van u.

40:7.4 (449.2) Dit zijn de stervelingen die van de Universele Vader de opdracht hebben ontvangen: ‘Zijt gijlieden volmaakt, gelijk ik volmaakt ben’. De Vader heeft zichzelf aan u geschonken, heeft zijn eigen geest binnen u geplaatst; daarom eist hij uiteindelijke volmaaktheid van u. Het verhaal van de menselijke opklimming vanuit de sterfelijke werelden van de tijd naar de goddelijke gebieden der eeuwigheid, vormt een boeiend relaas dat niet tot mijn opdracht hoort, maar dit verheven avontuur dient voor de sterveling het allerhoogste voorwerp van studie te zijn.

40:7.5 (449.3) De fusie met een fragment van de Universele Vader staat gelijk aan een goddelijke bevestiging dat het Paradijs uiteindelijk zal worden bereikt, en deze met de Richter gefuseerde stervelingen zijn de enige klasse mensen die allen de circuits van Havona doorreizen en God op het Paradijs vinden. Voor de sterveling die met de Richter is gefuseerd ligt de loopbaan van dienst in het universum wijd open. Welk een waardige bestemming en glorieus niveau van verworvenheden wacht een ieder van u! Beseft ge wel ten volle wat er voor u is gedaan? Begrijpt ge de grandeur van de hoogten van eeuwige overwinning die voor u uitgespreid liggen wel – gij die u nu voortsleept over het nederige pad van het leven door uw zogenoemde ‘tranendal’?

8. Met de Zoon gefuseerde stervelingen

40:8.1 (449.4) Ofschoon praktisch alle tot overleving komende stervelingen met hun Richter fuseren op een van de woningwerelden of onmiddellijk na aankomst op de hogere morontia-werelden, zijn er bepaalde gevallen waar de fusie wordt uitgesteld, en ervaren sommige stervelingen deze uiteindelijke garantie van overleving pas wanneer zij de laatste educatieve werelden van het hoofdkwartier van het universum hebben bereikt, en enkelen van deze sterfelijke kandidaten voor het nooit-eindigende leven slagen er volstrekt niet in de fusie van hun identiteit met hun getrouwe Richter te bereiken.

40:8.2 (449.5) Door de rechtsprekende autoriteiten zijn dergelijke stervelingen waardig bevonden om tot overleving te komen, en door terug te keren van Divinington hebben zelfs hun Richters ingestemd met hun opklimming tot de woningwerelden. Dergelijke wezens zijn opgeklommen door een stelsel, een constellatie en langs de educatieve werelden van het circuit van Salvington; zij hebben de ‘zeventig maal zeven’ gelegenheden gehad om te fuseren en zijn niettemin niet in staat geweest om tot eenheid met hun Richter te geraken.

40:8.3 (449.6) Wanneer blijkt dat een synchronisatie-moeilijkheid de fusie met de Vader belemmert, worden de overlevingsarbiters van de Schepper-Zoon bijeengeroepen. En wanneer dit hof van onderzoek, gesanctioneerd door een persoonlijke vertegenwoordiger van de Ouden der Dagen, tenslotte bepaalt dat de opklimmende sterveling onschuldig is aan enige waarneembare reden waarom fusie niet heeft kunnen plaatsvinden, legt het dit officieel vast in de archieven van het plaatselijk universum en geeft het zijn conclusie prompt door aan de Ouden der Dagen. Daarop keert de inwonende Richter onmiddellijk terug naar Divinington voor goedkeuring door de Gepersonaliseerde Mentoren, en na dit afscheid wordt de morontia-sterveling onmiddellijk gefuseerd met een geïndividualiseerde gave van de geest van de Schepper-Zoon.

40:8.4 (450.1) Vrijwel op dezelfde wijze als de morontia-werelden van Nebadon worden gedeeld met de met de Geest gefuseerde stervelingen, delen deze met de Zoon gefuseerde schepselen Orvonton met hun met de Richter gefuseerde broeders die op reis zijn naar binnen, naar het verre Paradijs-Eiland. Zij zijn waarlijk uw broeders en ge zult zeer genieten van uw omgang met hen op uw weg door de opleidingswerelden van het superuniversum.

40:8.5 (450.2) De met de Zoon gefuseerde stervelingen vormen geen grote groep, in het superuniversum Orvonton komen er nog geen miljoen voor. Afgezien van de residentiële bestemming op het Paradijs, zijn zij in elk opzicht de gelijken van hun metgezellen die met hun Richters zijn gefuseerd. Zij reizen dikwijls naar het Paradijs met opdrachten van het superuniversum, maar wonen daar slechts zelden permanent, aangezien ze als groep beperkt zijn tot het superuniversum waar zij zijn geboren.

9. Met de Geest gefuseerde stervelingen

40:9.1 (450.3) Stervelingen in opklimming die met de Geest zijn gefuseerd, zijn geen persoonlijkheden van de Derde Bron; zij zijn opgenomen in het persoonlijkheidscircuit van de Vader, maar zijn gefuseerd met individualisaties van de voorbewustzijnsgeest van de Derde Bron en Centrum. Deze fusie met de Geest doet zich nooit gedurende de tijdsspanne van het natuurlijke leven voor; zij vindt pas plaats ten tijde van het herontwaken van de sterveling in het morontia-bestaan op de woningwerelden. In de ervaring van de fusie bestaat er geen overlapping; het wilsschepsel fuseert of met de Geest, of met de Zoon, of met de Vader. Zij die met de Richter ofwel de Vader fuseren, fuseren nooit met de Geest of de Zoon.

40:9.2 (450.4) Het feit dat deze typen sterfelijke schepselen geen kandidaten zijn voor fusie met de Richter, weerhoudt de Richters niet om bij hen in te wonen tijdens hun leven in het vlees. De Richters werken wel in het bewustzijn van dergelijke wezens tijdens de spanne van hun materiële leven, maar worden nooit voor eeuwig één met de zielen die onder hun hoede staan. Gedurende dit tijdelijke verblijf bouwen de Richters met succes hetzelfde geestelijke equivalent op van de sterfelijke natuur – de ziel – als bij de kandidaten voor fusie met de Richter. Tot aan het moment van de dood van de sterveling is het werk van de Richters geheel gelijk aan hun functie bij uw eigen rassen, maar na de dood van de sterveling nemen de Richters voor eeuwig afscheid van deze kandidaten voor fusie met de Geest, reizen rechtstreeks naar Divinington, het hoofdkwartier van alle goddelijke Mentoren, en wachten aldaar de nieuwe opdrachten van hun orde af.

40:9.3 (450.5) Wanneer deze slapende overlevenden opnieuw worden gepersonaliseerd op de woningwerelden, wordt de plaats van de Richter ingenomen door een individualisatie van de geest van de Goddelijke Bijstand, de vertegenwoordigster van de Oneindige Geest in het betrokken plaatselijk universum. Deze bezieling met geest maakt deze overlevende schepselen tot met de Geest gefuseerde stervelingen. Deze wezens zijn qua bewustzijn en geest in alle opzichten uw gelijken; zij zijn bovendien uw feitelijke tijdgenoten en delen de woning- en morontia-werelden met de kandidaten voor fusie van uw orde en met hen die met de Zoon gefuseerd zullen worden.

40:9.4 (450.6) Er is echter één bijzonderheid waarin met de Geest gefuseerde stervelingen verschillen van hun broeders in opklimming: de herinnering van de sterveling aan zijn menselijke ervaring op de materiële werelden vanwaar hij afkomstig is, overleeft de dood in het vlees omdat de inwonende Richter een geestelijk equivalent of geestelijke kopie heeft verworven van de gebeurtenissen in het leven van de mens die van geestelijke betekenis zijn geweest. Maar bij met de Geest gefuseerde stervelingen bestaat er geen mechanisme waardoor het menselijke geheugen kan blijven bestaan. De kopieën van het geheugen die de Richters maken, zijn volledig en intact, maar dit verworven bezit is het ervaringseigendom van de vertrokken Richters en staat niet ter beschikking van de schepselen waarbij zij eerst inwoonden, zodat deze in de opstandingshallen van de morontia-werelden ontwaken alsof zij nieuw geschapen wezens waren, schepselen zonder bewustzijn van een vorig bestaan.

40:9.5 (451.1) Deze kinderen van het plaatselijk universum worden in staat gesteld zich veel van hun vroegere menselijke ervaringsherinneringen opnieuw eigen te maken door zich deze te laten vertellen door de samenwerkende serafijnen en cherubijnen, en door de gegevens omtrent hun sterfelijke loopbaan te raadplegen die door de registrerende engelen zijn opgeslagen. Dit kunnen zij met ontwijfelbare zekerheid doen, omdat de overlevende ziel die zijn oorsprong heeft in de ervaringen van het materiële en sterfelijke bestaan, weliswaar geen herinnering heeft aan gebeurtenissen uit het sterfelijke leven, maar wel een residu bezit van een ervarings-herkenningsrespons op deze niet-onthouden gebeurtenissen die zij in het verleden heeft meegemaakt.

40:9.6 (451.2) Wanneer een met de Geest gefuseerde sterveling verteld wordt over de gebeurtenissen die hij in zijn niet-onthouden verleden heeft meegemaakt, treedt er binnen de ziel (identiteit) van zulk een overlevende een onmiddellijke respons op van ervaringsherkenning, waardoor de hem verhaalde gebeurtenis ogenblikkelijk de emotionele ondertoon van werkelijkheid en de intellectuele kwaliteit van feitelijkheid krijgt; deze tweeledige respons nu vormt de reconstructie, herkenning en bevestiging van een niet-onthouden facet van de ervaring van de sterveling.

40:9.7 (451.3) Zelfs bij kandidaten voor fusie met de Richter vormen alleen de menselijke ervaringen die van geestelijke waarde zijn geweest, het gemeenschappelijke bezit van de overlevende sterveling en de terugkerende Richter, en nadat de sterveling tot overleving is gekomen herinnert hij zich deze daarom onmiddellijk. Wat betreft de gebeurtenissen die niet van geestelijke betekenis zijn geweest, moeten zelfs de stervelingen die met de Richter fuseren, zich verlaten op de herkenningsrespons die een eigenschap is van de overlevende ziel. En aangezien iedere gebeurtenis een geestelijke betekenis kan hebben voor de ene sterveling, maar niet voor de andere, wordt het mogelijk voor een groep opklimmende stervelingen die elkaars tijdgenoten zijn en van dezelfde planeet komen, om hun schatten aan door de Richter onthouden gebeurtenissen bijeen te voegen en zo iedere ervaring die zij hebben gedeeld en die in het leven van één van hen van geestelijke waarde is geweest, te reconstrueren.

40:9.8 (451.4) Terwijl wij deze methoden om het geheugen te reconstrueren tamelijk goed begrijpen, kennen wij de techniek waardoor persoonlijkheden elkaar herkennen, niet bevatten. Persoonlijkheden die eens met elkaar zijn omgegaan, reageren wederzijds op elkaar zonder dat het geheugen daarbij een rol speelt, alhoewel het geheugen zelve en de methoden om het te reconstrueren noodzakelijk zijn om zo’n wederzijdse respons van persoonlijkheden te bekleden met de volheid van herkenning.

40:9.9 (451.5) Een met de Geest gefuseerde overlevende is ook in staat om veel te weten te komen aangaande het leven dat hij in het vlees geleefd heeft door zijn geboortewereld opnieuw te bezoeken na het beëindigen van de planetaire tijdsbedeling waarin hij heeft geleefd. Deze kinderen van de fusie met de Geest worden in staat gesteld gebruik te maken van deze gelegenheden om hun menselijke loopbaan te onderzoeken, aangezien zij over het algemeen beperkt zijn tot dienstbetoon in het plaatselijk universum. Zij delen niet uw hoge, verheven bestemming van het Paradijs-Korps der Volkomenheid; alleen met de Richter gefuseerde stervelingen of andere opklimmende wezens die op een speciale manier zijn omhelsd, worden opgenomen in de gelederen van hen die het eeuwige Godheidsavontuur verwachten. Met de Geest gefuseerde stervelingen zijn de permanente burgers van de plaatselijke universa; zij kunnen wel streven naar de Paradijs-bestemming, maar zij kunnen daarvan niet zeker zijn. In het universum Nebadon is hun thuis de achtste groep werelden die Salvington omcirkelt, een bestemmingshemel die qua natuur en ligging vrijwel overeenkomt met de voorstelling daarvan in de planetaire tradities van Urantia.

10. Bestemmingen van opklimmende zonen

40:10.1 (452.1) Met de Geest gefuseerde stervelingen komen over het algemeen niet buiten het plaatselijk universum; met de Zoon gefuseerde overlevenden zijn beperkt tot een superuniversum; met de Richter gefuseerde stervelingen zijn bestemd om door te dringen tot in het universum van universa. De geesten die met stervelingen fuseren, klimmen altijd op tot het niveau van hun oorsprong: deze geest-entiteiten keren immer terug naar de wereld van hun oerbron.

40:10.2 (452.2) Met de Geest gefuseerde stervelingen behoren tot het plaatselijk universum; gewoonlijk klimmen zij niet verder op dan de grenzen van het gebied waar zij geboren zijn, niet verder dan de grenzen van het ruimte-bereik van de geest die hen doordringt. Met de Zoon gefuseerde opklimmende stervelingen stijgen eveneens op tot de bron van de geest-begiftiging, want zoals de Geest van Waarheid van een Schepper-Zoon focaliseert in de met hem verbonden Goddelijke Hulp en Bijstand, zo vindt zijn ‘fusie-geest’ verwezenlijking in de Reflectiviteitsgeesten van de hogere universa. Deze geest-verwantschap tussen de niveaus van God de Zevenvoudige in de plaatselijke universa en in de superuniversa is wel moeilijk uit te leggen, maar niet moeilijk waar te nemen, want zij openbaart zich onmiskenbaar in de kinderen van de Reflectiviteitsgeesten – de secorafijnse Stemmen van de Schepper-Zonen. De Gedachtenrichter, die afstamt van de Vader op het Paradijs, rust niet voordat de sterfelijke zoon van aangezicht tot aangezicht staat met de eeuwige God.

40:10.3 (452.3) De mysterieuze variabele factor in de associatie-techniek waardoor een sterveling niet tot eeuwige fusie komt of kan komen met de inwonende Gedachtenrichter, kan een zwakke plek lijken te onthullen in het opklimmingsplan: oppervlakkig gezien lijken fusies met de Zoon en de Geest wel compensaties voor onverklaarde mislukkingen in een detail van het plan voor het bereiken van het Paradijs, maar al deze gevolgtrekkingen zijn vergissingen. Ons wordt geleerd dat al deze gebeurtenissen zich ontvouwen in gehoorzaamheid aan de gevestigde wetten van de Allerhoogste Regeerders van het Universum.

40:10.4 (452.4) Wij hebben dit probleem geanalyseerd en zijn tot de vaste conclusie gekomen dat wanneer alle stervelingen naar het Paradijs zouden worden gestuurd als hun uiteindelijke bestemming, dit niet billijk zou zijn tegenover de universa in tijd en ruimte, omdat de gerechtshoven van de Schepper-Zonen en de Ouden der Dagen dan geheel afhankelijk zouden zijn van de diensten van hen die op doorreis zijn naar hogere gebieden. Het lijkt dan ook niet meer dan gepast dat de plaatselijke regeringen en die van de superuniversa alle zijn voorzien van een blijvende groep burgers in opklimming, en dat het functioneren van deze besturen verrijkt wordt door de inspanningen van bepaalde groepen verheerlijkte stervelingen met permanente status, evolutionaire complementen van de abandonters en de susatia. Het is thans geheel duidelijk dat het huidige opklimmingsplan de besturen in ruimte en tijd doelmatig voorziet van juist zulke groepen opklimmende schepselen, en wij hebben ons vaak afgevraagd of dit alles een voorgenomen deel vormt van de alwijze plannen van de Architecten van het Meester-Universum, dat is ontworpen om de Schepper-Zonen en de Ouden der Dagen een permanente bevolking van opklimmende schepselen te verschaffen, geëvolueerde orden van burgers die steeds bekwamer zullen worden om de zaken van deze gebieden in de toekomstige tijdperken van het universum te blijven behartigen.

40:10.5 (452.5) Dat de bestemmingen van stervelingen zozeer variëren, bewijst geenszins dat de een noodzakelijkerwijze groter of minder is dan de ander, alleen dat zij onderling verschillen. Opklimmende stervelingen die met de Richter zijn gefuseerd, zien inderdaad als volkomenen een grootse, heerlijke loopbaan voor zich liggen in de eeuwige toekomst, maar dit betekent niet dat zij boven hun broeders in opklimming worden begunstigd. De selectieve werking van het goddelijke plan voor de overleving van de sterveling kent geen bevoorrechting, heeft niets willekeurigs.

40:10.6 (453.1) Hoewel de met de Richter gefuseerde volkomenen duidelijk de ruimste gelegenheid tot dienen hebben van allen, sluit het bereiken van dit doel hen automatisch uit van de mogelijkheid om deel te nemen in de eeuwenlange worsteling van een bepaald universum of superuniversum van de vroegste, minder gestabiliseerde tijdvakken tot de latere, bestendigde tijdperken waarin relatieve volmaaktheid is bereikt. Volkomenen verwerven wonderbare, uitgebreide ervaring in tijdelijk dienstbetoon in alle zeven segmenten van het groot universum, maar gewoonlijk valt hun niet die intieme kennis van enig universum ten deel, waardoor de met de Geest gefuseerde veteranen in het Korps van Voltooiing van Nebadon nu reeds worden gekenmerkt. Deze individuen hebben de gelegenheid om getuige te zijn van de opgaande processie van de planetaire tijdperken, naargelang deze zich één voor één op tien miljoen bewoonde werelden ontvouwen. En in het getrouwe dienstbetoon van deze burgers van het plaatselijk universum stapelen de ervaringen zich op, totdat er in de volheid der tijden die hoge kwaliteit van wijsheid tot rijping komt die het voortbrengsel is van geconcentreerde ervaring – wijsheid met gezag — en deze is op zichzelf een factor van vitaal belang in de stabilisatie van ieder plaatselijk universum.

40:10.7 (453.2) Zoals het gaat met de met de Geest gefuseerden, zo gaat het ook met de stervelingen die met de Zoon zijn gefuseerd en residentiële status op Uversa hebben verworven. Sommigen van deze wezens stammen uit de vroegste tijdperken van Orvonton, en zij vormen een langzaam aangroeiend lichaam van inzicht verdiepende wijsheid, dat steeds grotere dienende bijdragen levert aan het welzijn en de uiteindelijke stabilisatie van het zevende superuniversum.

40:10.8 (453.3) Wat de uiteindelijke bestemming van deze stationaire orden der burgers van het plaatselijke universum en het superuniversum zal zijn, weten wij niet, maar het is zeer wel mogelijk dat wanneer de volkomenen op het Paradijs pionierswerk verrichten in de uitdijende grensgebieden van goddelijkheid in de planetaire stelsels van het eerste niveau van de buitenruimte, hun met de Zoon en de Geest gefuseerde broeders in de evolutionaire opklimmingsworsteling een welkome bijdrage zullen leveren aan de handhaving van het experiëntiële evenwicht van de vervolmaakte superuniversa, terwijl zij klaar staan om de stromen Paradijs-pelgrims te verwelkomen die in die ver in de toekomst liggende dagen wellicht via Orvonton en haar zusterscheppingen zullen binnenkomen als een enorme, geest-najagende stortvloed van wezens uit de buitenruimte, uit de melkwegstelsels die nu nog niet in kaart zijn gebracht en nog onbewoond zijn.

40:10.9 (453.4) De meeste met de Geest gefuseerden doen weliswaar permanent dienst als burgers van de plaatselijke universa, maar niet allen. Indien een aspect van hun dienstbetoon in het universum hun persoonlijke tegenwoordigheid in het superuniversum vereist, dan worden in deze burgers die transformaties van hun wezen bewerkstelligd, waardoor zij tot het hogere universum kunnen opstijgen; en wanneer de Hemelse Behoeders zouden arriveren met opdrachten om zulke met de Geest gefuseerde stervelingen te presenteren aan de hoven van de Ouden der Dagen, dan zouden zij aldus opklimmen en nooit meer terugkeren. Zij komen dan onder de voogdij van het superuniversum en doen dienst als assistenten van de Hemelse Behoeders, en wel blijvend, afgezien van het kleine aantal hunner dat beurtelings wordt opgeroepen om dienst te doen op het Paradijs en in Havona.

40:10.10 (453.5) Evenmin als hun met de Geest gefuseerde broeders doorlopen de met de Zoon gefuseerden Havona of bereiken zij het Paradijs, tenzij zij bepaalde modificerende transformaties hebben ondergaan. Om goede en afdoende redenen zijn er inderdaad zulke veranderingen in bepaalde met de Zoon gefuseerde overlevenden bewerkstelligd, en deze wezens zult ge zo nu en dan op de zeven circuits van het centrale universum ontmoeten. Op deze wijze klimmen bepaalde aantallen van zowel met de Zoon als met de Geest gefuseerde stervelingen daadwerkelijk op naar het Paradijs, en bereiken zij inderdaad een bestemming die in vele opzichten gelijk is aan die welke de met de Vader gefuseerde stervelingen wacht.

40:10.11 (453.6) Met de Vader gefuseerde stervelingen zijn potentiële volkomenen: hun bestemming is de Universele Vader, en hem bereiken zij ook, maar binnen het kader van het huidige tijdperk van het universum zijn volkomenen als zodanig nog niet wezens die hun bestemming hebben bereikt. Zij blijven onvoltooide schepselen – geesten van het zesde stadium – en zijn derhalve niet actief in de evolutionaire domeinen die de status van licht en leven nog niet hebben bereikt.

40:10.12 (454.1) Wanneer een sterfelijke volkomene door de Triniteit wordt omhelsd – een Getrinitiseerde Zoon wordt, zoals een Machtige Boodschapper – dan heeft deze volkomene zijn bestemming bereikt, althans voor de duur van het huidige tijdperk van het universum. In exacte zin zijn Machtige Boodschappers en hun metgezellen misschien geen geesten van het zevende stadium, maar de omhelzing door de Triniteit schenkt hun, naast andere zaken, alles wat een volkomene eens zal bereiken als geest van het zevende stadium. Nadat met de Geest of met de Zoon gefuseerde stervelingen zijn getrinitiseerd, maken zij samen met de met de Richter gefuseerde opklimmende stervelingen de ervaring van het Paradijs door, en zijn vervolgens identiek aan hen in alle zaken die het bestuur van het superuniversum aangaan. Deze door Selectie of door Prestatie Getrinitiseerde Zonen zijn nu althans voltooide schepselen, in tegenstelling tot de volkomenen, die op dit moment nog onvoltooide schepselen zijn.

40:10.13 (454.2) Per slot van rekening is het daarom eigenlijk niet juist om de woorden ‘groter’ of ‘geringer’ te gebruiken wanneer de verschillen in de bestemmingen van de opklimmende orden van zoonschap tegen elkaar worden afgezet. Iedere zoon Gods maakt deel uit van het vaderschap van God, en God heeft ieder van zijn geschapen zonen even lief; bij God bestaat evenmin aanzien van de bestemmingen van opklimmende schepselen als aanzien van de schepselen die deze bestemmingen kunnen bereiken. De Vader heeft ieder van zijn zonen lief, en die liefde is niet minder dan waar, heilig, goddelijk, onbeperkt, eeuwig en uniek – een liefde geschonken aan deze zoon en aan die zoon, individueel, persoonlijk en exclusief. Zulk een liefde overtreft dan ook alle andere feiten in luister. Het zoonschap is de allerhoogste verhouding van het schepsel tot de Schepper.

40:10.14 (454.3) Als stervelingen kunt ge nu uw plaats in de familie van goddelijke zonen onderkennen en kunt ge de verplichting beginnen te voelen om de voorrechten te baat te nemen waarmee ge zo ruim zijt voorzien in en door het Paradijs-plan ten aanzien van de overleving van stervelingen, het plan dat zo verdiept en verlicht is door de levenservaring van een zelfschenking-Zoon. Alle voorzieningen en alle macht zijn u ter beschikking gesteld om te verzekeren dat ge uw uiteindelijke bestemming van goddelijke volmaaktheid op het Paradijs zult bereiken.

40:10.15 (454.4) [Aangeboden door een Machtige Boodschapper, tijdelijk verbonden aan de staf van Gabriël van Salvington.]





Back to Top