HET URANTIA BOEK - Verhandeling 2. De natuur van God

(UF-DUT-001-1997-1)

HET URANTIA BOEK   

DEEL I: HET CENTRALE UNIVERSUM EN DE SUPERUNIVERSA

Verhandeling 2. De natuur van God



Verhandeling 2. De natuur van God

2:0.1 (33.1) AANGEZIEN ’s mensen hoogst mogelijke Godsbegrip besloten ligt in het menselijke idee en ideaal van een primaire, oneindige persoonlijkheid, is het geoorloofd en wellicht dienstig om bepaalde kenmerken van de goddelijke natuur, die het karakter van de Godheid vormen, te bestuderen. De natuur van God kan het best worden begrepen door de openbaring van de Vader, die Michael van Nebadon heeft ontvouwd in zijn onderscheiden onderrichtingen en in zijn grootse sterfelijke leven in het vlees. De goddelijke natuur kan ook beter door de mens worden begrepen indien hij zichzelf als een kind van God beschouwt, en naar de Paradijs-Schepper opziet als naar een echte geestelijke Vader.

2:0.2 (33.2) De natuur van God kan bestudeerd worden in een openbaring van allerhoogste ideeën, men kan zich het goddelijke karakter voor ogen stellen als een uitbeelding van verheven idealen, maar de meest verlichtende en geestelijk meest opbouwende van alle openbaringen der goddelijke natuur vindt ge wanneer ge het religieuze leven van Jezus van Nazaret begrijpt, zowel vóór hij tot volle bewustheid kwam van zijn goddelijkheid, als daarna. Wanneer het geïncarneerde leven van Michael als achtergrond wordt gezien van de openbaring van God aan de mens, kunnen wij hier trachten in menselijke woordsymbolen bepaalde ideeën en idealen omtrent de goddelijke natuur duidelijk te maken, die wellicht kunnen bijdragen tot een verdere verheldering en unificatie van de menselijke voorstelling van de natuur en het karakter van de persoonlijkheid van de Universele Vader.

2:0.3 (33.3) Bij al onze pogingen om de menselijke voorstelling van God te verbreden en te vergeestelijken, worden wij enorm belemmerd door de beperkte capaciteit van het sterfelijke bewustzijn. Ook worden wij bij de uitvoering van onze taak ernstig belemmerd door de beperkingen van de taal en het schaarse materiaal waarover wij ter illustratie of ter vergelijking kunnen beschikken bij onze inspanningen om goddelijke waarden weer te geven, en om geestelijke bedoelingen voor te leggen aan het eindige, sterfelijke bewustzijn van de mens. Al onze pogingen om het menselijke Godsbegrip te verbreden zouden welhaast vergeefs zijn, ware het niet dat de geschonken Richter van de Universele Vader in het menselijke bewustzijn woont en dat dit bewustzijn is doortrokken van de Waarheid-Geest van de Schepper-Zoon. Ik verlaat mij daarom op de aanwezigheid van deze goddelijke geesten in het hart van de mensen om mij bij te staan bij het verbreden van het Godsbegrip, en begin blijmoedig aan de uitvoering van mijn opdracht, de poging om de natuur van God verder te beschrijven aan het bewustzijn van de mens.

1. De oneindigheid van God

2:1.1 (33.4) ‘Doch de Oneindige kunnen wij niet vinden. De goddelijke voetstappen zijn niet gekend.’ ‘Zijn begrijpen is oneindig en zijn grootheid is ondoorgrondelijk.’ Het verblindende licht van de tegenwoordigheid van de Vader is van dien aard, dat hij voor zijn nederige schepselen schijnt te ‘wonen in de diepste duisternis.’ Niet alleen zijn zijn gedachten en plannen onnaspeurlijk, maar ook ‘doet hij grote en wonderbaarlijke dingen zonder tal.’ ‘God is groot; wij begrijpen hem niet en ook kan het getal zijner jaren niet gevonden worden.’ ‘Zou God inderdaad op aarde wonen? Zie, de hemel (het universum) en de hemel der hemelen (het universum van universa) kunnen hem niet bevatten.’ ‘Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!’

2:1.2 (34.1) ‘Er is slechts één God, de oneindige Vader, die ook een trouwe Schepper is.’ ‘De goddelijke Schepper is ook de Universele Beschikker, de oorsprong en bestemming der zielen. Hij is de Allerhoogste Ziel, het Primaire Bewustzijn, en de Onbeperkte Geest der ganse schepping.’ ‘De grote Albeheerser maakt geen vergissingen. Hij is luisterrijk in majesteit en heerlijkheid.’ ‘De Schepper-God is geheel vrij van vrees en vijandigheid. Hij is onsterfelijk, eeuwig, uit en in zichzelf bestaand, goddelijk en vrijgevig.’ ‘Hoe zuiver en schoon, hoe diep en onpeilbaar is de verheven Vader uit wie alle dingen zijn.’ ‘De voortreffelijkheid van de Oneindige komt het duidelijkst daarin tot uiting, dat hij zichzelf schenkt aan de mensen. Hij is het begin en het einde, de Vader van elke goede, volmaakte bedoeling.’ ‘Bij en met God zijn alle dingen mogelijk; de eeuwige Schepper is de oorzaak der oorzaken.’

2:1.3 (34.2) Ondanks de oneindigheid van de overweldigende manifestaties van de eeuwige, universele persoonlijkheid van de Vader, is hij zich onvoorwaardelijk bewust van zowel zijn oneindigheid als zijn eeuwigheid; evenzo kent hij ten volle zijn volmaaktheid en macht. Naast de goddelijke personen die zijn gelijken zijn, is hij het enige wezen in het universum dat zichzelf volmaakt, juist, en volledig in zijn waarde kent en ervaart.

2:1.4 (34.3) De Vader komt constant en feilloos tegemoet aan het gedifferentieerde beroep dat op hem wordt gedaan, naargelang dit van tijd tot tijd in de verschillende sectoren van zijn meester-universum verandert. De grote God kent en begrijpt zichzelf: hij is zich oneindig bewust van al zijn primaire eigenschappen van volmaaktheid. God is niet een kosmische toevalligheid en evenmin experimenteert hij met het universum. De Soevereinen van de Universa kunnen zich weliswaar met gedurfde ondernemingen bezighouden, de Constellatie-Vaders kunnen experimenteren, de hoofden van stelsels kunnen oefenen, maar de Universele Vader ziet het einde vanaf het begin, en zijn goddelijk plan en eeuwig voornemen omvatten en bevatten daadwerkelijk alle experimenten en alle avontuurlijke ondernemingen van al zijn ondergeschikten in alle werelden, stelsels en constellaties, in ieder universum in zijn enorme domeinen.

2:1.5 (34.4) Geen ding is nieuw voor God en geen kosmische gebeurtenis komt ooit als een verrassing: hij bewoont de cirkelgang der eeuwigheid. Hij kent noch begin, noch einde der dagen. Voor God bestaat geen verleden, heden, of toekomst; alle tijd is op ieder gegeven ogenblik tegenwoordig. Hij is de grote en enige IK BEN.

2:1.6 (34.5) De Universele Vader is absoluut en onvoorwaardelijk oneindig in al zijn eigenschappen; dit feit op zichzelf en in zichzelf sluit hem dan ook automatisch af voor alle rechtstreekse persoonlijke communicatie met eindige, materiële wezens en andere nederige, geschapen denkende wezens.

2:1.7 (34.6) Dit alles nu noopt tot die regelingen ten behoeve van het contact en de communicatie met zijn menigvuldige schepselen, die in de eerste plaats zijn ingesteld in de persoonlijkheden van de Paradijs-Zonen van God, welke, hoewel volmaakt in goddelijkheid, ook dikwijls deelhebben aan de natuur van het vlees en bloed van de planetaire geslachten en één van u en één met u worden; zo wordt God als het ware mens, zoals ook plaatsvond in de schenking van Michael, die nu eens de Zoon van God, dan weer de Zoon des Mensen werd genoemd. En in de tweede plaats zijn er de persoonlijkheden van de Oneindige Geest, de verschillende orden der scharen serafijnen en andere hemelse denkende wezens, die de materiële wezens van nederige afkomst benaderen en hen op zovele manieren van dienst zijn en helpen. En in de derde plaats zijn er de onpersoonlijke Geheimnisvolle Mentoren, de Gedachtenrichters, het daadwerkelijk ge schenk van de grote God zelf, zij die, zonder aankondiging en zonder uitleg, worden uitgezonden om in wezens zoals de mensen op Urantia te gaan wonen. In eindeloze overvloed dalen zij af van de hoogten der heerlijkheid om het nederige bewustzijn te sieren en te bewonen van die stervelingen die de capaciteit hebben om zich van God bewust te zijn, of daartoe potentieel in staat zijn.

2:1.8 (35.1) Op deze en nog vele andere wijzen, wijzen die u onbekend zijn en het eindige bevattingsvermogen ten enenmale te boven gaan, brengt de Paradijs-Vader zijn oneindigheid liefdevol en bereidwillig op lagere niveaus, en modificeert, verzacht en tempert hij deze ook nog anderszins, teneinde het eindige bewustzijn van zijn schepsel-kinderen nader te kunnen komen. Zo wordt de oneindige Vader door een reeks persoonlijkheidsschenkingen die in afnemende mate absoluut zijn, in staat gesteld nauw contact te onderhouden met de veelsoortige denkende wezens van de vele gebieden in zijn wijdverbreide universum.

2:1.9 (35.2) Dit alles heeft hij gedaan, doet hij nu, en zal hij altijd blijven doen, zonder dat dit de minste afbreuk doet aan het feit en de werkelijkheid van zijn oneindigheid, eeuwigheid en primaat. Deze zaken zijn absoluut waar, ondanks het feit dat zij moeilijk te bevatten zijn en in raadselen zijn gehuld, en door schepselen zoals op Urantia leven onmogelijk geheel kunnen worden verstaan.

2:1.10 (35.3) Omdat de Eerste Vader oneindig is in zijn plannen en eeuwig in zijn doeleinden, is het voor ieder eindig wezen inherent onmogelijk om deze goddelijke plannen en doeleinden ooit in hun volheid te vatten of te begrijpen. De sterveling kan slechts nu en dan, slechts hier en daar, een glimp opvangen van de bedoelingen van de Vader, zoals deze worden geopenbaard in verband met de uitwerking van het plan voor de opklimming van schepselen op de opeenvolgende niveaus van voortgang door het universum. Ofschoon de mens de draagwijdte van oneindigheid niet kan bevatten, begrijpt de oneindige Vader zeer zeker ten volle alle eindigheid van al zijn kinderen in alle universa, en omhelst hij deze vol liefde.

2:1.11 (35.4) Goddelijkheid en eeuwigheid heeft de Vader gemeen met grote aantallen hogere Paradijs-wezens, maar wij betwijfelen of hij zijn oneindigheid en zijn daaruit voortvloeiende universele primaat volledig deelt met enig ander wezen dan zijn deelgenoten in de Paradijs-Triniteit, die zijn gelijken zijn. Oneindigheid van persoonlijkheid moet noodzakelijkerwijs alle eindigheid van persoonlijkheid omvatten; vandaar de waarheid – de letterlijke waarheid – van het onderricht dat zegt: ‘In Hem leven wij, bewegen wij, en zijn wij.’ Het fragment van de zuivere Godheid van de Universele Vader dat in de sterveling woont, is een deel van de oneindigheid van de Eerste Grote Bron en Centrum, de Vader der Vaderen.

2. De eeuwige volmaaktheid van de Vader

2:2.1 (35.5) Zelfs uw profeten van weleer verstonden de eeuwige, cirkelvormige natuur van de Universele Vader, welke nimmer een begin heeft gekend en nooit een einde zal nemen. God is letterlijk en eeuwig tegenwoordig in zijn universum van universa. Hij woont in het huidige moment met heel zijn absolute majesteit en eeuwige grootheid. ‘De Vader heeft leven in zichzelf, en dit leven is eeuwig leven.’ In alle tijdperken der eeuwigheid is het steeds de Vader geweest die ‘aan allen het leven geeft.’ Er is een oneindige volmaaktheid in de goddelijke integriteit. ‘Ik ben de Heer; ik verander niet.’ Wat wij weten van het universum van universa onthult ons niet alleen dat hij de Vader der Lichten is, maar ook dat er in zijn bewind over de interplanetaire zaken ‘geen verandering is of schaduw van ommekeer.’ Hij ‘verklaart de afloop van den beginne.’ Hij zegt: ‘Mijn raadsbesluit zal standhouden en ik zal al mijn welbehagen doen,’ ‘naar het eeuwig voornemen hetwelk ik mij voorgenomen heb in mijn Zoon.’ Zo zijn de plannen en doeleinden van de Eerste Bron en Centrum zoals hij zelf is: eeuwig, volmaakt en voor immer onveranderlijk.

2:2.2 (35.6) Er schuilt een finale volledigheid en volmaakte vervuldheid in de mandaten van de Vader. ‘Wat God doet zal eeuwig zijn; niets kan daaraan worden toegevoegd en niets daarvan afgedaan.’ De Universele Vader komt nooit terug op zijn oorspronkelijke voornemens die wijs en volmaakt zijn. Zijn plannen zijn onwrikbaar, zijn raadsbesluiten onveranderlijk, zijn daden goddelijk en onfeilbaar. ‘Duizend jaren zijn in zijn ogen niet meer dan de dag van gisteren wanneer deze voorbijgegaan is, en als een nachtwake.’ De volmaaktheid van goddelijkheid en de grootsheid der eeuwigheid gaan de volledige bevatting van het begrensde verstand van de sterveling voor altijd te boven.

2:2.3 (36.1) De reacties van een onveranderlijke God lijken in de uitvoering van zijn eeuwig voornemen wellicht te variëren overeenkomstig veranderingen in de houding van de denkende wezens die hij heeft geschapen en overeenkomstig verschuivingen in hun bewustzijn; dat wil zeggen, zij kunnen ogenschijnlijk en oppervlakkig variëren, maar onder het oppervlak en achter alle uiterlijke manifestaties is het onveranderlijke voornemen, het eeuwige plan van de eeuwige God, altijd aanwezig.

2:2.4 (36.2) Buiten in de universa moet volmaaktheid noodzakelijkerwijs een relatieve term zijn, maar in het centrale universum en speciaal op het Paradijs, is volmaaktheid onvermengd en in bepaalde fasen zelfs absoluut. Manifestaties van de Triniteit variëren het aan de dag treden der goddelijke volmaaktheid, maar verminderen deze niet.

2:2.5 (36.3) Gods oorspronkelijke volmaaktheid bestaat niet in een rechtvaardigheid die hij aangenomen heeft, maar veeleer in de inherente volmaaktheid van de goedheid van zijn goddelijke natuur. Hij is finaal, compleet en volmaakt. Niets ontbreekt er aan de schoonheid en volmaaktheid van zijn rechtvaardig karakter. Het gehele ontworpen plan van levende bestaansvormen op de werelden in de ruimte draait dan ook om het goddelijk voornemen om alle wilsschepselen te verheffen tot de hoge bestemming dat zij ervaren deel te hebben aan de volmaaktheid van de Paradijs-Vader. God is noch egocentrisch, noch eenzelvig: hij schenkt zich onophoudelijk aan alle schepselen in het ontzaglijke universum van universa, die zelf-bewust zijn.

2:2.6 (36.4) God is eeuwig en oneindig volmaakt, hij kan persoonlijk, als een eigen ervaring, geen onvolmaaktheid kennen, maar wel deelt hij de bewustheid van alle ervaring van onvolmaaktheid van alle worstelende schepselen in de evolutionaire universa van alle Schepper-Zonen uit het Paradijs. De persoonlijke, bevrijdende aanraking van de God der volmaaktheid overschaduwt het hart van al die sterfelijke schepselen die het universum-niveau van moreel onderscheidingsvermogen hebben bereikt, en brengt hun natuur in zijn circuit. Op deze wijze, en ook door de contacten van de goddelijke tegenwoordigheid, neemt de Universele Vader daadwerkelijk deel in de ervaring met onrijpheid en onvolmaaktheid in de zich ontwikkelende loopbaan van ieder moreel wezen in het ganse universum.

2:2.7 (36.5) Menselijke beperkingen, potentieel kwaad, maken geen deel uit van de goddelijke natuur, maar de ervaring van de sterveling met het kwaad en al ’s mensen betrekkingen daartoe, zijn zeer zeker een onderdeel van de zich steeds uitbreidende zelfverwerkelijking van God in de kinderen der tijd – schepselen met morele verantwoordelijkheid, geschapen of tot ontwikkeling gebracht door iedere Schepper-Zoon die uit het Paradijs is uitgegaan.

3. Gerechtigheid en Rechtvaardigheid

2:3.1 (36.6) God is gerecht, derhalve is hij rechtvaardig. ‘De Heer is rechtvaardig in al zijn wegen.’ ‘“Ik heb niet zonder reden gedaan al hetgeen ik gedaan heb,’ spreekt de Heer.” ’ ‘Des Heren oordelen zijn in alle opzichten waarachtig en rechtvaardig.’ De gerechtigheid van de Universele Vader kan niet worden beïnvloed door de daden en verrichtingen van zijn schepselen, ‘want bij de Heer, onze God, is geen ongerechtigheid, geen aanzien des persoons, noch aanneming van geschenken.’

2:3.2 (36.7) Hoe zinloos is het zulk een God op een onvolwassen wijze te smeken zijn onveranderlijke decreten te modificeren, zodat wij de rechtmatige gevolgen van de werking van zijn wijze natuurwetten en rechtvaardige geestelijke mandaten kunnen ontlopen! ‘Vergis u niet, God laat niet met zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.’ Wel is waar dat deze goddelijke gerechtigheid steeds wordt getemperd door barmhartigheid, zelfs in het geval dat de vruchten van verkeerd handelen naar gerechtigheid geplukt moeten worden. De oneindige wijsheid is de eeuwige scheidsrechter die in iedere omstandigheid bepaalt in welke verhouding gerechtigheid en barmhartigheid zullen worden toegemeten. De grootste straf voor wandaden en opzettelijke opstand tegen het bestuur van God (in werkelijkheid een onontkoombaar gevolg hiervan) is verlies van bestaan als individueel onderdaan van dat bestuur. Het uiteindelijke resultaat van de volledige overgave aan zonde is vernietiging. Per slot van rekening hebben de individuen die zich met zonde hebben vereenzelvigd, dan zichzelf vernietigd doordat zij door hun omhelzing van de ongerechtigheid geheel onwerkelijk zijn geworden. Het feitelijke verdwij-nen van zo’n geschapen wezen wordt echter altijd uitgesteld, totdat geheel is voldaan aan de regels voor de rechtspleging die in het betrokken universum van toepassing zijn.

2:3.3 (37.1) Het bevel tot beëindiging van het bestaan wordt gewoonlijk gegeven tijdens de berechting van een gebied of gebieden aan het eind van een dispensatie of tijdvak. Op een wereld als Urantia gebeurt dit aan het eind van een planetaire dispensatie. Dan kan het mandaat tot beëindiging van het bestaan worden gegeven door coördinatieve actie van alle bevoegde rechtscolleges, van de planetaire raad en de gerechtshoven van de Schepper-Zoon, tot en met de vonniswijzende rechtbanken van de Ouden der Dagen. Het mandaat tot ontbinding gaat uit van de hoogste gerechtshoven van het superuniversum, wanneer de aanklacht, oorspronkelijk ingediend op de wereld waar de overtreder verblijfhoudt, steeds opnieuw is bekrachtigd. Wanneer het vonnis tot vernietiging tot in hoogste instantie is bekrachtigd, wordt het vervolgens voltrokken door een rechtstreekse handeling van de rechters die verblijfhouden op, en werken vanuit, het hoofdkwartier van het superuniversum.

2:3.4 (37.2) Wanneer dit vonnis in laatste instantie wordt bekrachtigd, wordt het wezen dat zich met zonde had vereenzelvigd ogenblikkelijk alsof het nooit had bestaan. Er is geen opstanding uit dit lot: het is eeuwigdurend. De levende energiefactoren der identiteit worden door de transformaties van de tijd en de metamorfosen van de ruimte ontbonden in het kosmische potentieel waaruit ze eens tevoorschijn waren gekomen. Wat de persoonlijkheid van het ongerechtige individu betreft, deze wordt beroofd van een blijvend levensvoertuig doordat het schepsel niet die keuzen heeft gedaan en niet die finale beslissingen heeft genomen, die het verzekerd zouden hebben van eeuwig leven. Wanneer het met hem verbonden bewustzijn vasthoudt aan zonde, en als dit culmineert in een volledige vereenzelviging met ongerechtigheid, dan wordt deze geïsoleerde persoonlijkheid na de beëindiging van het leven en de kosmische ontbinding, geabsorbeerd in de alziel der schepping en wordt zij een deel van de evoluerende ervaring van de Allerhoogste. Zij zal nooit opnieuw als een persoonlijkheid verschijnen: de identiteit van deze persoonlijkheid wordt alsof zij nooit had bestaan. In het geval van een persoonlijkheid bij wie een Richter heeft ingewoond, overleven de experiëntiële geest-waarden in de realiteit van de Richter die blijft bestaan.

2:3.5 (37.3) In iedere universum-krachtmeting tussen actuele niveaus van werkelijkheid, zal de persoonlijkheid van het hogere niveau uiteindelijk zegevieren over de persoonlijkheid van het lagere niveau. Deze onontkoombare afloop van universum-controversen is inherent aan het feit dat de goddelijkheid van ieder wilsschepsel gelijk is aan zijn graad van realiteit of actualiteit. Onvermengd kwaad, volledige dwaling, opzettelijke zonde en volslagen ongerechtigheid werken krachtens hun aard automatisch zelfvernietigend. Gedrag van dergelijke aard, dat in kosmische zin onwerkelijk is, kan in het universum alleen voortbestaan doordat het uit barmhartigheid tijdelijk wordt getolereerd, in afwachting van het in werking treden van de mechanismen der universum-rechtbanken die beslissen wat recht en billijk is. En deze rechtbanken wijzen rechtvaardige vonnissen.

2:3.6 (37.4) De regering van de Schepper-Zonen in de plaatselijke universa is een scheppend en vergeestelijkend bewind. Deze Zonen wijden zich aan de effectieve uitvoering van het Paradijs-plan voor de progressieve opklimming van stervelingen en aan de rehabilitatie van opstandigen en degenen die kwaad beramen, maar wanneer al deze liefdevolle pogingen definitief en voor altijd worden verworpen, wordt het finale vonnis tot ontbinding uitgevoerd door eenheden die handelen onder de jurisdictie van de Ouden der Dagen.

4. De goddelijke barmhartigheid

2:4.1 (38.1) Barmhartigheid is eenvoudig gerechtigheid getemperd door de wijsheid die voortkomt uit het volmaakte kennen van, en het volledig rekening houden met, de natuurlijke zwakheden van de eindige schepselen en van de belemmeringen die hun omgeving met zich meebrengt. ‘Onze God is barmhartig en genadig, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid.’ Daarom ‘zal een ieder die de naam des Heren aanroept behouden worden,’ ‘want hij vergeeft overvloedig.’ ‘De barmhartigheid des Heren is van eeuwigheid tot eeuwigheid;’ ja, ‘zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid.’ ‘Ik ben de Heer die goedertierenheid, recht en gerechtigheid doet op aarde, want daarin schep ik behagen.’ ‘Niet van harte breng ik de mensenkinderen in verdrukking en bedroef ik hen,’ want ik ben ‘de Vader van barmhartigheden en de God aller vertroosting.’

2:4.2 (38.2) Gods wezen is mild, hij is van nature mededogend en altijd barmhartig. Het is dan ook nimmer nodig ook maar enige invloed uit te oefenen op de Vader teneinde zijn goedertierenheid tevoorschijn te roepen. De nood van het schepsel is op zichzelf reeds voldoende om de volle stroom van de tedere barmhartigheid van de Vader en zijn reddingbrengende genade te garanderen. Omdat God alles weet omtrent zijn kinderen, is het voor hem gemakkelijk vergiffenis te schenken. Hoe beter de mens zijn naaste begrijpt, des te gemakkelijker valt het hem zijn naaste te vergeven, zelfs lief te hebben.

2:4.3 (38.3) Alleen het onderscheidingsvermogen van oneindige wijsheid stelt een rechtvaardige God in staat om in iedere gegeven universum-situatie tegelijkertijd gerechtigheid en barmhartigheid toe te passen. De hemelse Vader wordt nooit verscheurd door tegenstrijdige gevoelens jegens zijn kinderen in het universum: God is nooit onderhevig aan tegenstrijdigheden in zijn gedrag. Gods vrije wil wordt feilloos door zijn alwetendheid geleid bij de keuze van die universum-gedragslijn die volmaakt, gelijktijdig en gelijkelijk voldoet aan de eisen van al zijn goddelijke eigenschappen en de oneindige kwaliteiten van zijn eeuwige natuur.

2:4.4 (38.4) Barmhartigheid is de natuurlijke, onvermijdelijke vrucht van goedheid en liefde. De goede natuur van een liefhebbende Vader zou onmogelijk het wijze hulpbetoon van barmhartigheid kunnen onthouden aan enig lid van enige groep van zijn universum-kinderen. Eeuwige gerechtigheid en goddelijke barmhartigheid tezamen vormen wat in de menselijke ervaring billijkheid wordt genoemd.

2:4.5 (38.5) De goddelijke barmhartigheid is een toepassing van billijkheid om de universum-niveaus van volmaaktheid en onvolmaaktheid te harmoniseren. Barmhartigheid is de gerechtigheid van het Allerhoogst Bewind, aangepast aan iedere situatie in het evoluerende eindige, de rechtvaardigheid der eeuwigheid gemodificeerd om tegemoet te komen aan de hoogste belangen en het universum-welzijn van de kinderen uit de tijd. Barmhartigheid is niet in strijd met gerechtigheid, maar veeleer een begrijpend interpreteren van de eisen der hoogste gerechtigheid, zoals deze in billijkheid wordt toegepast ten aanzien van de ondergeschikte geestelijke wezens en de materiële schepselen van de universa in evolutie. Barmhartigheid is de gerechtigheid van de Paradijs-Triniteit, wijs en liefdevol betoond aan de menigvuldige denkende wezens in de scheppingen in tijd en ruimte, zoals geformuleerd door de goddelijke wijsheid en bepaald door het alwetende bewustzijn en de soevereine vrije wil van de Universele Vader en alle Scheppers die met hem meewerken.

5. De liefde van God

2:5.1 (38.6) ‘God is liefde.’ Derhalve is zijn enige persoonlijke houding tegenover de aangelegenheden van het universum altijd een reactie van goddelijke liefde. De Vader bemint ons genoeg om ons zijn leven te schenken. ‘Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’

2:5.2 (39.1) Het is verkeerd God voor te stellen als iemand die overgehaald wordt om zijn kinderen lief te hebben vanwege de offers van zijn Zonen of de voorspraak van zijn ondergeschikte schepselen, ‘want de Vader zelf heeft u lief.’ In respons op deze vaderlijke liefde stuurt God juist de wonderbaarlijke Richters om in het bewustzijn van mensen te gaan wonen. Gods liefde is universeel: ‘een iegelijk die wil, kome.’ Hij zou willen ‘dat alle mensen behouden worden door te komen tot kennis der waarheid.’ Het is ‘niet zijn wil dat enig mens verloren ga.’

2:5.3 (39.2) De Scheppers zijn de allereersten die pogen de mens te redden uit de rampzalige situaties die het gevolg zijn van zijn dwaze overtreden van de goddelijke wetten. Gods liefde is van nature een vaderlijke genegenheid; daarom ‘kastijdt hij ons soms in ons eigen belang, opdat wij deel mogen hebben aan zijn heiligheid.’ Bedenkt zelfs in uw zwaarste beproevingen dat ‘in al onze droefenissen hij medebedroefd is.’

2:5.4 (39.3) God is op goddelijke wijze mild voor zondaren. Wanneer opstandigen terugkeren tot recht-vaardigheid, worden zij in barmhartigheid ontvangen, ‘want onze God zal overvloedig vergeven.’ ‘Ik ben het die al uw overtredingen uitwist om mijnentwil, en ik zal uw zonden niet meer gedenken.’ ‘Ziet hoe de Vader ons heeft liefgehad, dat wij zonen Gods genaamd zouden worden.’

2:5.5 (39.4) Per slot van rekening is het grootste blijk van Gods goedheid en de allerhoogste reden om hem lief te hebben, het inwonende geschenk van de Vader – de Richter die zo geduldig de dag afwacht dat gij beiden voor eeuwig tot één gemaakt zult worden. Ofschoon ge God niet door onderzoek kunt vinden, zult ge feilloos tot hem worden geloodst indien ge u wilt voegen naar de leiding van de inwonende geest, stap voor stap, leven na leven, universum na universum en eeuw na eeuw, totdat ge eindelijk in de tegenwoordigheid zult staan van de Paradijs-persoonlijkheid van de Universele Vader.

2:5.6 (39.5) Hoe onredelijk is het God niet te aanbidden omdat de beperkingen der menselijke natuur en de belemmeringen van uw materiële schepping het u onmogelijk maken hem te zien! Er valt een geweldige afstand (fysieke ruimte) af te leggen tussen u en God. Er bestaat eveneens een grote kloof van geestelijk verschil, die moet worden overbrugd. Sta echter, ondanks al wat u lichamelijk en geestelijk scheidt van de persoonlijke tegenwoordigheid Gods in het Paradijs, ook stil bij het indrukwekkende feit dat God in u woont: op zijn eigen wijze heeft hij de kloof reeds overbrugd. Hij heeft een deel van zichzelf, zijn geest, uitgezonden om in u te wonen en zich samen met u in te spannen terwijl gij uw eeuwige loopbaan in het universum volgt.

2:5.7 (39.6) Ik vind het gemakkelijk en aangenaam om iemand te aanbidden die zo groot is, en zich tegelijk zo liefdevol wijdt aan het verheffend dienen van zijn nederige schepselen. Het is voor mij natuurlijk om iemand lief te hebben die zo machtig is in zijn scheppingswerk en in de beheersing en het bestuur van die schepping, en toch zo volmaakt goed is en zo trouw in de goedertierenheid waarmee hij ons voortdurend overschaduwt. Ik denk dat ik God evenzeer zou liefhebben als hij minder groot en machtig zou zijn, zolang hij zo goed en barmhartig is. Wij beminnen allen de Vader meer om zijn natuur, dan uit waardering voor zijn verbazingwekkende eigenschappen.

2:5.8 (39.7) Wanneer ik de Schepper-Zonen en de hun ondergeschikte bestuurders gadesla in hun heldhaftige worsteling met de veelsoortige moeilijkheden van de tijd, die inherent zijn aan de evolutie van de universa in de ruimte, bemerk ik dat ik deze lagere bestuurders van de universa een grote, diepe genegenheid toedraag. Per slot van rekening geloof ik dat wij allen, ook de sterfelijke wezens van deze domeinen, de Universele Vader en alle andere goddelijke en menselijke wezens liefhebben, omdat wij inzien dat deze persoonlijkheden ons waarlijk liefhebben. De ervaring dat men liefheeft is in hoge mate een rechtstreekse reactie op de ervaring bemind worden. Omdat ik weet dat God mij liefheeft, zou ik hem boven alles blijven liefhebben, zelfs al zou hij van al zijn eigenschappen van allerhoogste macht, ultimiteit en absoluutheid zijn ontdaan.

2:5.9 (40.1) De liefde van de Vader volgt ons, nu en door de eindeloze cirkelgang van de eeuwen der eeuwen heen. Wanneer ge de liefdevolle natuur van God overdenkt, is daarop slechts één redelijke, natuurlijke persoonlijkheidsreactie mogelijk: ge zult uw Maker steeds meer gaan liefhebben, ge zult God een liefde gaan schenken die overeenkomt met de liefde die een kind aan zijn aardse ouders geeft, want zoals een vader, een werkelijke vader, een ware vader, zijn kinderen liefheeft, zo heeft de Universele Vader zijn geschapen zonen en dochters lief en zoekt hij aldoor hun welzijn.

2:5.10 (40.2) De liefde van God is echter een intelligente, vèrziende ouderlijke liefde. De goddelijke liefde functioneert in een geïntegreerd verband met de goddelijke wijsheid en alle andere oneindige kenmerken van de volmaakte natuur van de Universele Vader. God is liefde, maar liefde is niet God. Wij zien de grootste manifestatie van de goddelijke liefde voor stervelingen in de schenking van de Gedachtenrichters, maar uw hoogste openbaring van de liefde van de Vader ziet ge in het geschonken leven van zijn Zoon Michael, toen deze op aarde het ideale geestelijke leven leidde. Het is de inwonende Richter die de liefde van God voor iedere mensenziel individualiseert.

2:5.11 (40.3) Bij tijden vind ik het haast pijnlijk genoodzaakt te zijn de goddelijke genegenheid van de hemelse Vader voor zijn kinderen in het universum te beschrijven met het menselijke woordsymbool liefde. Ook al is deze term een aanduiding van het hoogste menselijke begrip van verhoudingen van respect en toewijding tussen stervelingen, wordt zij zeer dikwijls gebruikt voor verhoudingen tussen mensen die volstrekt onwaardig zijn en volslagen ongeschikt om te worden aangeduid met een woord dat ook gebruikt wordt voor de weergaloze genegenheid van de levende God voor zijn schepselen in het universum! Hoe ongelukkig is het dat ik niet beschik over een verheven, exclusieve term die de ware natuur en uitgelezen schoonheid van de draagwijdte van de goddelijke genegenheid van de Paradijs-Vader duidelijk zou kunnen maken aan het menselijke verstand.

2:5.12 (40.4) Wanneer de mens de liefde van een persoonlijke God uit het oog verliest, blijft er van het koninkrijk Gods slechts een koninkrijk van het goede over. Ondanks het feit dat de goddelijke natuur een oneindige eenheid vormt, is liefde het overheersende kenmerk van al Gods persoonlijk handelen met zijn schepselen.

6. De goedheid van God

2:6.1 (40.5) In het fysische universum kunnen wij de goddelijke schoonheid zien, in de verstandelijke wereld kunnen wij eeuwige waarheid onderkennen, maar de goedheid van God wordt slechts gevonden in de geestelijke wereld van de persoonlijke religieuze ervaring. Naar haar ware wezen is religie een geloof-vertrouwen in de goedheid van God. In de filosofie zou God groot en absoluut kunnen zijn, in zekere zin zelfs intelligent en persoonlijk, maar in de religie moet God ook moreel zijn: hij moet goed zijn. De mens zou een grote God wel kunnen vrezen, maar hij vertrouwt en bemint alleen een goede God. Deze goedheid van God is een deel van de persoonlijkheid van God, en ze wordt alleen ten volle geopenbaard in de persoonlijke religieuze ervaring van de zonen Gods die in hem geloven.

2:6.2 (40.6) Religie houdt in dat de bovenwereld die van geestelijke natuur is, kennis draagt van, en reageert op, de fundamentele noden van de wereld der mensen. Evolutionaire religie kan wel ethisch worden, maar alleen geopenbaarde religie wordt waarlijk en geestelijk moreel. De oude voorstelling dat God een Godheid is die beheerst wordt door een koningsmoraal, werd door Jezus op een hoger plan gebracht, naar het warme, roerende niveau van de innige familiemoraal in de ouder-kind verhouding, welke in de ervaring van stervelingen alles te boven gaat in tederheid en schoonheid.

2:6.3 (41.1) De ‘rijkdom van de goedheid Gods brengt de dwalende mens tot berouw.’ ‘Iedere goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten.’ ‘God is goed; hij is de eeuwige toevlucht van de zielen der mensen.’ ‘De Heer onze God is barmhartig en genadig. Hij is lankmoedig en groot in goedertierenheid en waarheid.’ ‘Smaakt en ziet dat de Heer goed is! Gezegend is de mens die op hem vertrouwt.’ ‘De Heer is genadig en vol mededogen. Hij is de God des heils.’ ‘Hij heelt de gebrokenen van hart en verbindt de wonden der ziel. Hij is de almachtige weldoener der mensen.’

2:6.4 (41.2) Ofschoon de voorstelling van God als een koning-rechter bevorderlijk was voor een hoog moreel peil en een volk voortbracht dat als groep eerbied voor de wet had, liet dit begrip de individuele gelovige in droeve onzekerheid omtrent zijn staat in tijd en eeuwigheid. De latere Hebreeuwse profeten verkondigden dat God een Vader voor Israel was; Jezus openbaarde God als de Vader van iedere mens. Het gehele Godsbegrip van de sterfelijke mens wordt door het leven van Jezus transcendent verlicht. Onbaatzuchtigheid is inherent aan ouderliefde. God heeft niet lief gelijk een vader, maar als vader. Hij is de Paradijs-Vader van elke persoonlijkheid in het universum.

2:6.5 (41.3) Rechtvaardigheid houdt in dat God de oorsprong is van de morele wet van het universum. Waarheid toont God als schenker van openbaring, als leraar. Maar liefde geeft en smacht naar genegenheid, zoekt de begripvolle omgang zoals deze tussen ouder en kind bestaat. Rechtvaardigheid is wellicht het goddelijke denken, maar liefde is de instelling van een vader. De onjuiste veronderstelling dat de rechtvaardigheid Gods onverenigbaar was met de onbaatzuchtige liefde van de hemelse Vader, vooronderstelde het ontbreken van eenheid in de natuur der Godheid, en heeft rechtstreeks geleid tot de ontwikkeling van het leerstuk der verzoening, een leer die een filosofische aanval is op zowel de eenheid Gods als op zijn vrije wil.

2:6.6 (41.4) De liefdevolle hemelse Vader wiens geest bij zijn kinderen op aarde inwoont, is geen verdeelde persoonlijkheid – een die gerechtig is en een die barmhartig is – en evenmin is er een middelaar nodig om de gunst of vergeving van de Vader te verkrijgen. De goddelijke rechtvaardigheid wordt niet overheerst door strenge vergeldende gerechtigheid: God als vader gaat God als rechter te boven.

2:6.7 (41.5) God is nooit toornig, wraakzuchtig, of boos. Wel is waar dat zijn liefde dikwijls door wijsheid wordt beteugeld, terwijl de gerechtigheid zijn verworpen barmhartigheid voorwaardelijk stelt. Zijn liefde voor rechtvaardigheid moet zich wel als een evengrote hekel aan zonde vertonen. De Vader is niet een innerlijk tegenstrijdige persoonlijkheid: de goddelijke eenheid is volmaakt. In de Paradijs-Triniteit bestaat er absolute eenheid, ondanks de eeuwige identiteiten van de gelijken van God.

2:6.8 (41.6) God heeft de zondaar lief en verfoeit de zonde; deze stelling is in filosofische zin waar, maar God is een transcendente persoonlijkheid en personen kunnen slechts andere personen liefhebben en verfoeien. Zonde is geen persoon. God heeft de zondaar lief omdat hij een persoonlijkheidswerkelijkheid is (potentieel eeuwig), terwijl God tegenover de zonde geen persoonlijke houding aanneemt, want zonde is geen geestelijke realiteit: ze is niet persoonlijk, daarom neemt alleen Gods gerechtigheid kennis van haar bestaan. De liefde van God redt de zondaar, de wet van God vernietigt de zonde. Deze houding van de goddelijke natuur zou ogenschijnlijk veranderen indien de zondaar zich finaal met de zonde zou vereenzelvigen, precies zoals datzelfde sterfelijke bewustzijn zich ook geheel kan vereenzelvigen met de inwonende geest-Richter. Zo’n met zonde vereenzelvigde sterveling zou dan geheel ongeestelijk van natuur worden (en daarom als persoon onwerkelijk) en zou uiteindelijk de vernietiging van zijn bestaan ondergaan. In een universum dat gestaag reëler en steeds geestelijker wordt, kan de onwerkelijkheid en zelfs de onvolledigheid van de natuur van een schepsel niet eeuwig bestaan.

2:6.9 (42.1) Als God de wereld van persoonlijkheid zijn gelaat toewendt, onthult hij zich als een li efdevolle persoon; als hij zich wendt naar de geestelijke wereld, is hij een persoonlijke liefde. In de religieuze ervaring is hij beide. De volitionele wil van God wordt door liefde geïdentificeerd. De goedheid van God ligt ten grondslag aan de goddelijke vrije wil – de universele neiging om lief te hebben, barmhartig te zijn, geduld te betonen en vergeving te schenken.

7. Goddelijke waarheid en schoonheid

2:7.1 (42.2) Alle eindige kennis en al wat door schepselen begrepen wordt, is relatief. Informatie en inlichtingen, zelfs indien vergaard uit hoge bronnen, zijn alleen in relatieve zin volledig, alleen in plaatselijk opzicht nauwkeurig en alleen persoonlijk waar.

2:7.2 (42.3) Fysische feiten zijn tamelijk eenvormig, maar waarheid is een levende, flexibele factor in de filosofie van het universum. Evoluerende persoonlijkheden zijn maar gedeeltelijk wijs in hun mededelingen en maar betrekkelijk waarheidsgetrouw. Zij kunnen alleen zeker zijn voorzover hun persoonlijke ervaring reikt. Dat wat volkomen waar lijkt te zijn in de ene plaats, behoeft maar betrekkelijk waar te zijn in een ander segment van de schepping.

2:7.3 (42.4) Goddelijke waarheid, finale waarheid, is eenvormig en universeel, maar wanneer meerdere individuen die uit verschillende werelden afkomstig zijn, over geestelijke zaken verhalen, kunnen zij daarbij in details soms verschillen vanwege deze relativiteit in de volledigheid van hun kennis en de volheid van hun persoonlijke ervaring, alsook in de duur en omvang van die ervaring. Terwijl de wetten en verordeningen, de gedachten en attitudes van de Eerste Grote Bron en Centrum eeuwig, oneindig en universeel betrouwbaar zijn, stemmen zij in hun toepassing op, en aanpassing aan, ieder universum, stelsel, iedere wereld en ieder geschapen denkend wezen, tegelijkertijd overeen met de plannen en werkwijzen van de Schepper-Zonen zoals dezen functioneren in hun respectieve universa, en zijn zij in harmonie met de plaatselijke plannen en werkwijzen van de Oneindige Geest en alle andere samenwerkende hemelse persoonlijkheden.

2:7.4 (42.5) De onjuiste wetenschap van het materialisme wil de sterfelijke mens ertoe veroordelen een verschoppeling in het universum te worden. Dergelijke gedeeltelijke kennis is potentieel kwaad: het is kennis die is opgebouwd uit goed en kwaad beide. Waarheid is schoon omdat zij zowel vol als symmetrisch is. Wanneer de mens naar waarheid zoekt, jaagt hij na wat goddelijk werkelijk is.

2:7.5 (42.6) Filosofen begaan hun ernstigste vergissing wanneer zij zich laten verleiden tot het misverstand van de abstractie, de methode om de aandacht op één aspect der werkelijkheid te richten en dan te beweren dat dit geïsoleerde aspect de gehele waarheid is. De wijze filosoof zal altijd het scheppingsplan trachten te ontdekken dat achter alle verschijnselen in het universum verborgen ligt en reeds vóór die verschijnselen bestond. Het denken van de schepper gaat altijd aan zijn scheppend handelen vooraf.

2:7.6 (42.7) Het verstandelijke zelf-bewustzijn kan de schoonheid van waarheid, haar geestelijke kwaliteit, niet alleen ontdekken aan de filosofische consequentheid van haar begrippen, maar nog zekerder en veiliger aan de feilloze reactie van de immer-tegenwoordige Geest van Waarheid. De herkenning van waarheid maakt gelukkig omdat waarheid naar buiten gebracht kan worden: zij kan geleefd worden. Dwaling gaat gepaard met teleurstelling en verdriet, aangezien zij, geen realiteit zijnde, niet in de ervaring gerealiseerd kan worden. Goddelijke waarheid kan men het beste herkennen aan haar geestelijk aroma.

2:7.7 (42.8) De eeuwige queeste gaat om vereniging, om goddelijke cohesie. Het wijdverbreide fysische universum heeft samenhang in het Paradijs-Eiland; het denkende universum heeft samenhang in de God van bewustzijn, de Vereend Handelende Geest; het geestelijke universum is coherent in de persoonlijkheid van de Eeuwige Zoon. De geïsoleerde sterveling in tijd en ruimte vindt echter coherentie in God de Vader door de rechtstreekse betrekking tussen de inwonende Gedachtenrichter en de Universele Vader. De Richter van de mens is een fragment van God en streeft eeuwig naar goddelijke vereniging: de Richter vertoont cohesie met en in de Paradijs-Godheid van de Eerste Bron en Centrum.

2:7.8 (43.1) Het onderscheiden van allerhoogste schoonheid is de ontdekking en integratie van de werkelijkheid: het onderscheiden van goddelijke goedheid in eeuwige waarheid, dat nu is ultieme schoonheid. Zelfs de bekoring van menselijke kunst bestaat in de harmonie van haar eenheid.

2:7.9 (43.2) De grote vergissing van de Hebreeuwse religie was dat deze de goedheid van God niet verbond met de feitelijke waarheden van de wetenschap en de aantrekkelijke schoonheid der kunst. Toen de beschaving vorderde en de religie bleef vasthouden aan dezelfde onverstandige koers dat zij de goedheid van Godheid al te zeer benadrukte en de waarheid daarbij in gelijke mate uitsloot en de schoonheid verwaarloosde, ontwikkelde zich bij bepaalde typen mensen een steeds sterkere neiging zich af te keren van deze abstracte, uit haar verband geraakte opvatting van geïsoleerde goedheid. De al te zeer benadrukte, geïsoleerde ethiek van de moderne religie, die er in de twintigste eeuw niet in slaagt de toewijding en loyaliteit van velen vast te houden, zou zich rehabiliteren indien zij niet alleen morele voorschriften zou geven, maar in gelijke mate aandacht zou schenken aan de waarheden van de wetenschap, de filosofie en de geestelijke ervaring, en aan de schoonheden van de materiële schepping, de bekoring van ideële kunst en de grootsheid van echte karakterontwikkeling.

2:7.10 (43.3) De religieuze uitdaging van deze eeuw gaat de vèrziende en vooruitziende mannen en vrouwen met geestelijk inzicht aan, die een nieuwe, aantrekkelijke levensfilosofie zullen durven construeren op basis van de uitgebreide, voortreffelijk geïntegreerde opvattingen van kosmische waarheid, universum-schoonheid en goddelijke goedheid. Zulk een nieuwe, rechtvaardige visie op de ethiek zal al wat goed is in het denken van de mens aantrekken en zal het beste in de menselijke ziel te voorschijn roepen. Waarheid, schoonheid en goedheid zijn goddelijke realiteiten, en naarmate de mens opklimt langs de trappen van geestelijk leven worden deze allerhoogste kwaliteiten van de Eeuwige steeds meer gecoördineerd en verenigd in God, die liefde is.

2:7.11 (43.4) Alle waarheid – materieel, filosofisch, en geestelijk – is zowel schoon als goed. Alle werkelijke schoonheid – materiële kunst of geestelijke symmetrie – is zowel waar als goed. Alle echte goedheid, of het nu de persoonlijke moraal, sociale billijkheid, of goddelijk dienstbetoon is, is even waar als schoon. Lichamelijke en geestelijke gezondheid, en ook geluk, zijn integraties van waarheid, schoonheid en goedheid, zoals deze in de ervaring van de mens zijn vermengd. Deze niveaus van productief leven komen tot stand door de vereniging van energiesystemen, ideeënsystemen, en geest-systemen.

2:7.12 (43.5) Waarheid is coherent, schoonheid is aantrekkelijk, goedheid geeft stabiliteit. En wanneer deze waarden van dat wat werkelijk is, worden gecoördineerd in de persoonlijkheidservaring, is het resultaat een hoge orde van liefde, die door wijsheid wordt bepaald en gekenmerkt wordt door trouw. Het werkelijke doel van alle universum-educatie is het tot stand brengen van de betere coördinatie van het geïsoleerde kind der werelden met de grotere realiteiten van zijn steeds wijdere ervaring. De realiteit is eindig op menselijke niveaus, oneindig en eeuwig op de hogere, goddelijke niveaus.

2:7.13 (43.5) [Aangeboden door een Goddelijk Raadsman, handelend op gezag van de Ouden der Dagen op Uversa.]





Back to Top